Beste Grunberg,

Een brief van een jonge schrijver aan een oude schrijver waarin hij hem zijn bewondering meedeelt zonder hem eerst te hebben vermoord en bijgezet in het Pantheon; een brief op een hoog niveau van abstractie en dan ook nog in het openbaar zo'n brief is zeldzaam en ik reken het tot een eer de ontvanger ervan te zijn. De brief werd afgedrukt in deze krant, op 18 mei 2001 en de afzender was Arnon Grunberg. Hier volgt mijn antwoord.

Je snijdt verschillende belangrijke kwesties aan. Je hebt het over de valkuilen van de stijl. Een schrijver die alleen maar op zijn stijl let, zal men kunnen betichten van mooischrijverij. Anderzijds: wie iets te vertellen heeft schrijft niet noodzakelijkerwijs beter dan wie niets te vertellen heeft. Verder heb je het over mythevorming. Menig schrijver probeert van zichzelf een mythe te maken. Zulke mythes moeten worden afgebroken, zeg je, of op zijn minst gecorrigeerd. Dat je deze, en nog andere belangrijke zaken, in verband brengt met mijn werk, laat zien dat ik dat niet voor niets geschreven heb. Dat ik de naam heb een moeilijk schrijver te zijn houdt de domoren buiten de poort. Ze gaan opzij voor de slimmen die naar binnen gaan omdat ze zien dat de poort gewoon openstaat.

Ik hou van onwetende lezers. Want dan kan ik mij voordoen als een onwetende schrijver. Zo begrijpen we elkaar.

Ik hou niet van bange lezers.

Ik hou van een wandelende waarheid.

Bijvoorbeeld: ik schrijf `Jan loopt op het Rokin'. En in de volgende regel schrijf ik `Jan loopt op het Damrak'. Daar kijkt geen lezer van op. In een verhaal gebeuren zulke dingen. De lezer ziet Jan lopen dankzij de voortgang van het verhaal. De ene zin brengt de andere voort. Ze ontkennen elkaar. Want als Jan op het Damrak loopt, loopt hij niet op het Rokin. Ook daar kijkt de lezer niet van op. Wil je hem werkelijk verrassen, dan moet je duidelijk zijn en expliciet. Je schrijft dat Jan op het Rokin loopt en vervolgens dat hij er niet loopt. Of, om mijn standaardvoorbeeld te geven, je schrijft:

Er staat een paard in de wei.

Er staat geen paard in de wei.

In een betoog is zoiets een paradox die begrepen moet worden, opgelost tot een waarheid op een hoger plan. In een verhaal kan het blijven staan.

Woorden, schrijf je, hebben de werkelijkheid nodig om iets te betekenen. Geheel mee eens. Ik wil daaraan toevoegen dat de werkelijkheid woorden nodig heeft om te worden begrepen.

Een en ander vraagt een zekere schrijfvaardigheid. Het verhaal van Roodkapje en de wolf vraagt een flinke dosis geloofwaardigheid. Je weet dat het niet letterlijk gebeurd is. Toch geloof je erin. Denk aan Kafka's De gedaanteverwisseling. Dat verhaal is geloofwaardig eenvoudig omdat het goed verteld is. Het is een mooi verhaal. Geloofwaardig is voor mij synoniem met mooi.

Daarmee komen we op jouw volgende punt: dat van de toon. Het is de toon die de schoonheid en dus de waarheid van een verhaal bepaalt. De vraag is dus, hoe kom je aan de goede toon. Je merkt op dat toon zonder betekenis geen goed verhaal oplevert. Een verhaal dat alleen maar muziek, alleen maar klank is, daarvoor moet je, zoals je zelf opmerkt, bij Hanlo zijn. Die schrijft `oote oote boe', of `kneu kneu ote kneu'. Maar daar vertel je geen verhaal mee, noch een betoog. Nee, dat is niets voor mij.

Toch zit ik niet voor niks bij de dichters. De manuscripten van de dichter Leopold bijvoorbeeld laten zien hoe hij vaak eerst de regels vond en vervolgens de woorden wat voeding geeft aan het fascinerende idee dat in de taal de zinnen er eerder waren dan de woorden. Dat zal elke verteller van verhalen kunnen bevestigen. Wie het eindpunt in de gaten houdt, zal vaak de goede stappen zetten. Maar niet zelden zijn het de stappen die bepalen wat het eindpunt zal zijn.

Soms, als ik schrijf denk ik: dit wordt een inversie, hier komt een zelfstandig naamwoord, van twee lettergrepen, vanwege het ritme. De toon is gezet, nu de woorden nog.

Ik heb wel 's in een variétézaal hard gelachen om een grap die ik niet verstond omdat de `timing' mij daartoe aanzette.

Jij, romanschrijver, verhalenschrijver, zult zeggen: ik heb het niet graag over stijl, ik heb het over proza, het bij uitstek stijlloze genre het genre waarbij er van stijl niet gerept wordt. Die is voor rekening van de in de dialoog opererende sprekers. In proza wordt veel gesproken, tussen A en B, desnoods door C en als A het hele verhaal alleen is, staat het vaak in de ik-vorm. Maar geen van de sprekers legt zich erop toe, mooi te spreken; dat woord is daar niet van toepassing. In `een mooi verhaal' en `een mooi beeld' heeft `mooi' verschillende betekenissen. Je vindt het fijn als Fantoompijn een mooi boek gevonden wordt, maar je bent niet speciaal op zoek geweest naar mooie beelden. Soms wordt je er een in de schoot geworpen (bijvoorbeeld die dwerg die zoveel haarvet had gebruikt dat het leek of hij een motorhelm op had), maar in het algemeen is er tussen die voortgaande dialogen maar weinig plaats voor een beeldende beschouwing. Voor beschouwing überhaupt. Je brengt zoiets liever onder in een apart essay. Ook goed. Als het maar overtuigt. Het brengt de lezer ertoe te grinniken, het boek even weg te leggen en na te denken. In tegenstelling tot andere lezers die een boek pas wegleggen als ze het uit hebben. Dat zijn dan ook andere boeken. Doorleesboeken.

Ik hou van lege plekken.

Ook doorleesproza heeft zijn lege plekken, alleen je ziet ze niet. Bij proza staat alles wat meer tegen elkaar aan, maar dat Jan, lopend op het Rokin, en even later op het Damrak, daartoe de Dam is overgestoken, lees je niet.

Er is zoveel wat je niet leest als je een verhaal leest.

Mijn vijanden noemen mij wel 's een sofist, die dood valt op een komma. Heel goed. Tot op zekere hoogte hebben ze gelijk. Sofisterij is voor de literaire schrijver een middel tot annexatie, vergelijkbaar met het rijm dat de dichter hanteert om langs wegen te gaan die hij zonder dat rijm niet gezien zou hebben. Een middel tot expansie; hij krijgt er zijn gedicht mee af.

Mijn ambities reiken verder tot voorbij de roman die ik aan het schrijven ben. Want ik wil met dat boek een geschiedenis beschrijven die met dat boek alleen niet beschreven is. Wanneer je het boek uit hebt en sluit, moet het verhaal zich openen. Dat bereik je soms, toegegeven, door eenvoudig het verhaal te vertellen. Het verhaal dat al jaren en jaren door je hoofd is gespoeld, als de vuile was in de machine. Je noemde Primo Levi. Levi is het typische voorbeeld van een schrijver die zijn verschrikkelijke ervaringen na een betrekkelijk korte tijd wist te verwoorden. Je weet: zo moet het gebeurd zijn. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de roman Pedro Páramo, van de Mexicaan Juan Rulfo, die vijfentwintig jaar nodig had om de amper 160 bladzijden bij elkaar te schrijven. Vier versies en elke versie was korter dan de vorige. Niet om het verhaal duidelijker te maken, maar duisterder. Het is nacht.

Je noemde Dave Eggers, als een voorbeeld van een schrijver die niet alleen het gebouw, maar ook de steigers beschrijft.

Ik zou ook zo'n schrijver zijn. Dat klopt. Soms ben ik zo een.

Bij het boek van Rulfo is het, door het langdurige proces, niet duidelijk of wat hij vertelt tot het verhaal behoort. Zo moeten, denk ik, van Pedro Páramo allerlei raadselachtige zinnen gelezen worden. Je weet niet wat ze met het verhaal te maken hebben.

Ik spiegel mij graag aan dat boek. Mijn laatste roman De vitalist zou ik niet geschreven hebben als ik niet Rulfo's roman gelezen had. Toch is mijn roman in tegenstelling tot die van Rulfo helder als glas. Dat is nodig om de paradox te laten schitteren. De paradox van de rechtvaardigheid. Geen rechtvaardigheid zonder het hiernamaals. Een schrijver verstaat de kunst de doden te laten spreken. Immers, zo kunnen allerlei grappen, hulpstukken en onbegrijpelijkheden begrepen worden.

Ik hou van boeken die intrigeren: boeken die je bezighouden lang nadat je ze hebt uitgelezen. Boeken die je nooit helemaal begrepen hebt en vroeg of laat weer uit de kast haalt om bepaalde stukken eruit opnieuw te lezen.

In de wiskunde is een bewering waar of niet waar. Tenminste, dat probeer je te bewijzen. In de literatuur wordt ook van alles beweerd: je eet een eitje bijvoorbeeld, of Jan zei dit of dat. Gebeurtenissen die van voorbijgaande aard zijn. Maar ook zijn er beweringen die, van beschouwelijke aard, een gooi naar de waarheid doen. Die kun je niet bewijzen. Maar je kunt ze wel aannemelijk maken, geloofwaardig of zelfs verrassend, zodanig dat de lezer in zijn handen klapt en uitroept `zo is het!'

Om geloofwaardig te zijn moet de schrijver overtuigen. Om te overtuigen moet hij de juiste woorden kiezen. In de goede volgorde. Dat geldt niet alleen in de literatuur, dat geldt merkwaardigerwijs ook in de wiskunde. De ene wiskundige is logischer dan de andere. De ene wiskundige is vaardiger met de taal dan de andere.

Dat geldt ook in de literatuur. Zelf maak ik daar veel werk van. Een zin die overtuigt is altijd mooi. Dát noem ik mooi. Als ik word beticht van mooischrijverij, is dat niet omdat ik veel alliteraties gebruik, of voldoende synoniemen waar anders een woord zichzelf zou herhalen, of een bezwerend ritme. Ik geef niet om alliteraties, herhaal graag hetzelfde woord. Ritme in een zin is belangrijk, maar het liefst heb ik een ritme dat achteloos is. Op het gevoel geschreven. Bijna alles doe ik op het gevoel, als ik schrijf. En zolang dat goed gaat en het wringt niet, word ik niet beticht van mooischrijverij.

Waar ik wel van word beticht is: lege brille. Nou, brille mag, maar leeg is die nooit bij mij. Ik héb het altijd over iets. En om dat te bewijzen, schrijf ik graag briljant.

Vaak gaat het in zo'n geval om iets dat niet waar is naar de opinie der mensen. Ik beweer regelmatig dat 2 maal 2 gelijk aan 5 is, om maar iets te noemen. Helemaal niet zo onmogelijk. In Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter, zie je de stelling bewezen (bladzij 577 e.v.). Letterkundigen die dat boek niet hebben gelezen bestempelen mijn pogingen met `lege brille'.

Natuurlijk, 2 x 2 = 5 is maar een voorbeeld. Een paradigma van het onmogelijke. Een echt onmogelijke geschiedenis kun je lezen in De vitalist, waar ik op de laatste bladzij iemand laat verdrinken door hem de zee in te laten lopen. Het staat er letterlijk, zwart op wit: `hij verdronk.' En twee regels verder staat er: `En toen hij verdronken was, liep hij weer terug, de zee uit.' En hij leefde nog lang en gelukkig. Geen lezer die mij vroeg `hoe kan dat nou.'

Met logica kom je een eind, maar met stijl kom je nog een eind verder. Om het bovenstaande waar te kunnen maken had ik 132 bladzijden nodig.

Nog iets anders. Dat bij een erg goed boek de woorden achter de werkelijkheid verdwijnen `omdat er te veel werkelijkheid is waarnaar ze verwijzen' is dat zo? Ik heb ook wel 's zo'n verhaal geschreven dat naar heel veel werkelijkheid verwees, maar dat doet het pas als de woorden precies op hun plaats staan, prominent aanwezig en zichtbaar zijn.

Zelfs waar de werkelijkheid verzonnen is, kan ze sterker zijn dan een letterlijk bewijs. Het gaat in een roman om de werkelijkheid én om de woorden. Die zijn aan elkaar gebakken. Eén ongelukkig woord, en de werkelijkheid stort in elkaar. Woord en werkelijkheid zijn een evenwichtsbalk waarop je je gewicht gelijkelijk verdeelt, naar links en naar rechts. Jij legt de nadruk op de werkelijkheid. Ik ook, ik heb 't meestal over mezelf. Als ik vervolgens de nadruk leg op het woord en daarbij een grap lanceer, doe ik dat om te laten zien dat de werkelijkheid tegen zo'n stootje kan, ze wordt er zelfs sterker van. Hoe avontuurlijker, hoe riskanter het evenwicht, des te meer literatuur.

En ten slotte, je citaat aan het einde van je brief ontroerde mij: een dialoogje uit mijn allereerste roman. Als voorbeeld hoe het moet. En dat ik het toen al kon: de woorden achter de werkelijkheid laten verdwijnen.

Arnon Grunberg je brief heeft me verrast.