Ach, wat weent gij toch, droeve moeder

Er is maar een selecte groep uitverkorenen die een plaats krijgt in het geheugenpaleis van de geschiedenis. In de zaal voor de schone letteren worden de namen Cats, Hooft, Huygens en Vondel bij tijd en wijle opgepoetst, zodat ze zichtbaar blijven. Deze mannen worden geëerd met een toneelstuk, een biografie, of een wetenschappelijke editie van hun werk.

In deze eregalerij kwamen tot voor kort maar weinig vrouwen voor. Deze lacune werd vier jaar geleden opgevuld met het kloeke overzichtswerk Met en zonder lauwerkrans (1997), waarin een stoet schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd (1550-1850) onder het stof vandaan is gehaald: bijna 160 schrijfsters zijn met een bloemlezing en een biografische schets in kaart gebracht.

Veel portretten zijn niet meer dan aanzetten tot nader onderzoek. Twee recente studies kleuren de kaart verder in: Annelies de Jeu onderzocht voor 't Spoor der dichteressen, de netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750) en Ans J. Veltman-van den Bos verdiepte zich in de `blinde' schrijfster Petronella Moens (1762-1843).

In 't Spoor der dichteressen komen ook nogal wat kerels om de hoek kijken: vrouwen hadden immers `mannelijke bemiddelaars' nodig om een plaats in het literaire veld te veroveren. Zo stuurde Alida Bruno (1629?-1679) een briefje met enkele lofdichten naar Constantijn Huygens. Waarschijnlijk koesterde ze de hoop dat de bekende literator haar aanprijzingen in het voorwerk van zijn te verschijnen bundel Koren-bloemen (1658) zou opnemen.

Alida had pech, want Huygens nam geen enkel vers van haar op. Andere dichteressen hadden meer geluk. Maria de Wit (1622-1644), van wie maar één vers bewaard is gebleven, kwam via haar vader, burgemeester van Dordrecht, in contact met Jacob Cats. Voor hem schreef ze als 13-jarig meisje een gedichtje van acht regels, dat werd opgenomen in Cats' Alle de wercken (1658).

Dat vrouwen aan de rand van het literaire veld stonden, is niet zo vreemd. De Jeu noemt drie belangrijke eigenschappen voor het schrijverschap: aanleg, studie en vrije tijd. Aanleg is een gave, maar studie en vrije tijd waren zaken die vrouwen vaak moesten ontberen. Meisjes hadden geen toegang tot de Latijnse school, waardoor ze kennis misten van de klassieke periode – toentertijd zeer belangrijk voor poëzie. Een druk bestaan als echtgenote en moeder stond het dichterschap ook in de weg.

Veel dichteressen schreven naar aanleiding van persoonlijke gebeurtenissen. De huiselijke thema's waren nogal eens overgoten met een religieus sausje. Een uitzondering is Titia Brongersma. In De Bron-swaen of mengeldichten (1686) schreef ze: `Ag! Moet ik dan soo ver van U gescheiden blijven/ Daar men alleen door schrijven/ Uw heusheyt nad'ren kan,/ Hoe dikwijls spreek ik daar met droeve klagten van.' Het was liefdespoëzie, voor haar correspondentievriendin Elisabeth Joly. Toen de relatie tussen de twee vrouwen bekoelde, beschreef de dichteres een droom waarin Joly haar met gespleten tong kuste – het symbool van een naderend bedrog. Voor eigentijdse oren bezingt Brongersma de lesbische liefde, voor tijdgenoten echter riepen haar woorden die associaties niet op, De bron-swaen kon zonder problemen gepubliceerd worden.

Godsvrucht

Petronella Moens (1762-1843) schreef romans, kinderboeken, poëzie en politieke verhandelingen. Ze valt buiten De Jeu's periodisering, maar zou in `t Spoor der dichteressen zeker niet hebben misstaan. Na haar dood raakte Moens snel vergeten, mede door haar gedateerde taalgebruik. Maar dat haar oeuvre nu niet meer leesbaar is, wil níet zeggen dat het cultuur-historisch oninteressant is. Over haar Tafereelen uit de Nederlandsche geschiedenis, dichterlijk geschetst voor de jeugd (1823) is in een eerdere studie gezegd dat het representatief is `voor een aanzienlijke hoeveelheid kinderboeken, bedoeld om bij de jeugd vooral nationaal bewustzijn, vaderlandsliefde en godsvrucht aan te kweken'. Dat deed ze met vlijt: de lijst van Moens' gedrukte werken telt 153 titels en daarnaast schreef ze talloze stukken voor almanakken en tijdschriften.

Ans J. Veltman-van den Bos behandelt uitgebreid Moens' blindheid. Door een aanval van roodvonk met koorts en kinderpokken verloor ze als 4-jarige haar gezichtsvermogen. Maar hoe visueel gehandicapt was de schrijfster eigenlijk? Er zijn twee door Moens geschreven briefjes bekend. Een grafoloog concludeert dat de schrijfster `een zwak gezichtsvermogen had, maar niet bepaald blind was'. Hij trekt ook conclusies over Moens' karakter: sensitief, een gevoelige natuur, creatief en individualistisch, maakt soms een naïeve indruk, bezit een sterk ontwikkelde eigenwaarde en heeft doorzettingsvermogen. Op basis van deze bevindingen wordt geconcludeerd dat `de karakterschets treffend overeenkomt met datgene wat uit haar werken blijkt' en dat de aard en ernst van haar gezichtsafwijking niet wijzen op volslagen blindheid.

Die conclusie had ook zonder grafoloog getrokken kunnen worden: Moens schijnt zelfs slaapmutsen met spreuken te hebben gebreid. Moens' karakterschets op basis van de twee bekende handschriften had ook iets minder uitbundig gemogen: sinds de jaren vijftig maken psychologen brandhout van deze dubieuze methode.

De Vriendin van 't Vaderland levert biografisch veel interessants op, maar Veltman-van den Bos is te voorzichtig. Zij durft niet te suggereren dat Moens misschien wel handig gebruik maakte van haar handicap en dat ze juist daarom hordes geleerden, predikanten en letterkundigen als vriend of kennis aan zich wist te binden en zo een indrukwekkend netwerk opbouwde.

Orangiste

In De vriendin van 't vaderland is veel aandacht voor Moens' oeuvre, dat uiteenvalt in politiek, godsdienstig en opvoedkundig werk. Vakkundig analyseert Veltman-van den Bos de politieke geschriften, die wat stellingnamen betreft geen beeld opleveren van een politiek bewust schrijfster. Als jong volwassene was ze orangiste, tijdens de Bataafse Revolutie (1781-1787) en de Bataafse Republiek (1795-1806) danste Moens om de patriotse Vrijheidsboom en vanaf koning Willem I omarmde ze weer de Oranjeboom.

Moens was een verlicht christen, die een moralistische godsdienst probeerde te combineren met het rationalisme. Slavernij werd door haar streng veroordeeld: alle mensen zijn schepselen Gods, dus óók negers, `die zich na scholing en opvoeding zouden kunnen meten met hun Europese medemensen'.

Ze wees ook de predestinatieleer af: de mens heeft immers een vrije wil. Uit de analyse komt een rotsvast vertrouwen in de goedheid van God naar voren. Met troostliederen over jong gestorven kinderen probeerde Moens het verdriet der nabestaanden te verzachten. Verdriet omdat het `wiegje zacht aan 't graf' hechtte, werd in gelukzaligheid omgebogen: `Droeve moeder! ach, wat weent gij/ Bij uw' dorren rozenknop?/ Juich! hij bloeit in zal'ger wereld/ Als Gods paradijsbloem op.'

't Spoor der dichteressen en De vriendin van 't vaderland zijn welkome aanvullingen op Met en zonder lauwerkrans. De Jeu heeft met haar aantrekkelijke en strak gecomponeerde studie een handjevol schrijfsters uit de vroeg-moderne tijd van de vergetelheid gered. Veltman-van den Bos' doorwrochte studie over Petronella Moens is nogal onevenwichtig en laveert tussen literair-historisch onderzoek, biografie en bronnenpublicatie. Daardoor krijgt het boek het karakter van een naslagwerk. Eigenlijk schreef ze een papieren standbeeld voor de blinde dichteres. Dit is jammer, maar in het geheugenpaleis van de geschiedenis geen onoverkomelijk bezwaar.

Annelies de Jeu: 't Spoor der dichteressen. Netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750). Verloren, 373 blz. ƒ49,70

Ans J. Veltman-van den Bos: Petronella Moens (1762-1843). De Vriendin van 't Vaderland. Vantilt, 488 blz. ƒ49,50 (geb.)