Vrede in Noord-Ierland berust vooral op drijfzand

Het verboden Ierse Republikeinse Leger (IRA) heeft toegezegd al zijn wapens buiten gebruik te stellen. We zullen pas over geruime tijd weten hoeveel jaar het kost om een oorlogscultuur te vervangen door een van geweldloosheid en overleg. Maar het zal interessant zijn om te zien hoe dan met fundamentele en onopgeloste geschillen wordt omgegaan, meent Jonathan Power.

Dit is nog niet de laatste tango in Belfast, hoeveel ophef Sinn Fein er ook van maakt. Sinn Fein en de IRA zijn opvallend goed in staat een gedragslijn te opperen of zelfs te beloven, waarna de feitelijke uitvoering dan een soort kiekeboe-proces wordt. Toch lijkt het deze week gedane IRA-voorstel tot nu toe de duidelijkste belofte om de geheime wapenvoorraden te vernietigen. En het gezond verstand zegt dat ze uiteindelijk voor de deadline van aanstaande week een begin met echte ontwapening zullen maken, ondanks het jongste onbehagen onder de Unionisten. Niet alleen waren de nationalisten het beste af bij het Goede Vrijdag-akkoord van 1998, maar iedereen weet ook dat de kwestie van de geheime wapenvoorraden meer symbolisch dan inhoudelijk is. Zoals vorige week bleek bij de bom die in Londen elf mensen verwondde, hebben dissidente vleugels van de IRA geen moeite om dodelijke bommen uit kunstmest te maken, en de internationale wapenmarkt is zo plooibaar dat opgeruimde arsenalen in een ommezien weer op te bouwen zijn.

We zullen pas over geruime tijd weten hoeveel jaar het kost om een oorlogscultuur te vervangen door een van geweldloosheid en overleg. Het vredesproces en de wapenstilstand van de IRA die daar een wezenlijk onderdeel van is, zijn nu zeven jaar onderweg. Het geweld is ingrijpend verminderd sinds het hoogtepunt van de problemen, zelfs als de bommen van de splintergroep Real IRA en het voortdurende straatgeweld van de protestantse milities worden meegerekend. Bovendien is Noord-Ierland in normale tijden, met zijn sterke kerkelijke cultuur aan weerszijden van de sektarische scheidslijn, een van de opvallend geweldloze culturen van Europa. Wie zijn tienerdochter veilig en wel wilde grootbrengen, moest altijd hier zijn. Maar de laatste vijf jaar is de gewone misdaad in het kielzog van de milities dezelfde kant op gegaan als in andere maatschappijen. Even belangrijk voor het toekomstige welzijn van Noord-Ierland is het of die straatmisdaad net zo doelmatig kan worden aangepakt als het politieke geweld.

Het grote probleem voor Noord-Ierland is dat het Goede Vrijdag-akkoord, wat het begin was van de formele vrede en het gezamenlijke protestants-katholieke bestuur van de provincie, voor zo'n groot deel op drijfzand was gebouwd. Een `nuttige vergissing,' noemde een commentator het spitsvondig. Zo kunnen beide kampen geloven dat het akkoord voor hun politieke programma het gunstigste is, wat doet vermoeden dat beide kampen er dingen in lezen die er niet echt zijn. Hoe meer tijd er verstrijkt sinds de euforie van het akkoord en de steun die het kreeg bij het tweetal geslaagde referenda, hoe meer de tegenstanders met recht kunnen wijzen op de overduidelijke zwakke kanten ervan.

De politieke programma's van de twee partijen zijn om een fundamentele reden onverzoenbaar. De protestanten, die zestig procent van het Noorden uitmaken en die het merendeel van de noordelijke handel en industrie beheersen, willen deel van het Verenigd Koninkrijk blijven, en de katholieken willen zich als deel van het onafhankelijke Ierland bij het zuiden aansluiten. Het Goede Vrijdag-akkoord, dat probeert de katholieken een billijke politieke vertegenwoordiging en een minderheidsaandeel in de staatsambten te bieden, wordt door een kleine meerderheid van de protestanten als basis voor een goede blijvende oplossing gezien. De nationalisten aan katholieke kant zien het alleen als een aanloop naar een verenigd Ierland.

Een van de uitkomsten van de onderhandelingen is wel dat geen van beide kampen zich meer gevangen voelt in de oude politieke vormen. De Ierse regering won in 1998 een referendum waarin afstand werd gedaan van de grondwettelijke aanspraak van het zuiden op de heerschappij over het noorden. En de protestanten hebben zich bereid verklaard deel uit te maken van instellingen voor heel Ierland waarin Engeland en de Ierse republiek het in het beleid gelijkelijk voor het zeggen hebben. Dat opent de deur tot vrijwillige in plaats van gedwongen verandering, al doet het niets af aan het feit dat de twee partijen in hun wensen lijnrecht tegenover elkaar staan.

Maar lang voordat we eraan toe zijn om te zien hoeveel macht de protestanten onder druk van de nationalisten bereid zijn af te staan aan grensoverschrijdende instellingen, moet er een modus vivendi worden gevonden voor de resterende geschillen inzake de samenstelling van de overwegend protestantse politie en de terugtrekking van het Engelse leger. Alleen al het feit dat Sinn Fein en IRA deze week concrete beloften hebben gedaan om hun geheime voorraden wapens en explosieven op te ruimen, wijst er duidelijk op dat ze nu veel meer vrede hebben met de beloften die premier Tony Blair op deze punten heeft gedaan in zijn overleg met de Ierse premier Bertie Ahern. Maar wat de politici ook beloven, de werkelijkheid zal worden geregeerd door de mate van geweld waarmee de zoveelste provocerende mars van de protestantse Oranjemannen gepaard gaat, en door het aantal malen dat een dissidente IRA-vleugel een bom laat afgaan en de protestantse milities tot vergelding overgaan.

Optimisten zullen stellen dat de huidige leiding van Sinn Fein en de Unionisten nu ze eenmaal zover is gekomen, bekwaam genoeg is om eventuele spanningen weg te nemen. Pessimisten zullen wijzen op de groeiende electorale kracht van de extremisten en het onuitputtelijke reservoir in beide Noord-Ierse kampen van jonge militanten en straatboeven met een aangeboren onvermogen om de kans elkaar in de haren te vliegen voorbij te laten gaan.

Op het ogenblik hebben de optimisten de overhand. Voor het staakt-het-vuren van de IRA in 1994 zag je nooit Unionisten in dezelfde ruimte staan als leden van Sinn Fein. Nu zitten ze aan dezelfde tafel en besluiten samen over het regeringsbeleid. Wat hen daar zal houden is de hoop voor de toekomst. De meerderheid van de protestanten zal weliswaar nooit een duimbreed wijken inzake een verenigd Ierland, maar zal waarschijnlijk redelijk tevreden blijven als ze de meerderheid behoudt (oftewel: het geboortecijfer in de gaten houdt) en als er vrede heerst. Sinn Fein zal op zijn beurt waarschijnlijk de lokroep van het geweld weerstaan als de grensoverschrijdende organen redelijk goed functioneren en als het aandeel van de stemmen bij verkiezingen in noord en zuid blijft stijgen. Toch rust dit allemaal op drijfzand en nog eens drijfzand. Als het nog een paar jaar betrekkelijk vredig blijft en er een cultuur van geweldloosheid wortel heeft geschoten, zal het interessant zijn om te zien hoe er dan met de fundamentele en onopgeloste geschillen wordt omgegaan.

Jonathan Power is publicist.