Het beloofde land van de zuivere vormen

De kaftan is gemaakt van gelig verweerde vissenhuid. Er zijn wilde dieren op geschilderd: wolven, een grote draak, een gestreepte slang, en ook dansende figuurtjes met een tulband op het hoofd. De motieven zijn in horizontale rijen geordend. Aan de onderkant is de jas afgezet met franje, en langs de randen met een zwarte en rode geschilderde band. Dit is de kaftan van een sjamaan uit Sukpay, in het Verre Oosten, uit 1928. Het magische kledingstuk wordt bewaard in het Russisch Etnografisch museum in Petersburg en is nu te zien op de tentoonstelling Ornament en Abstractie in Fondation Beyeler. Ernaast hangt een schilderij van Kandinsky, getiteld Around the Circle (1940). Kleurige, decoratieve figuren dwarrelen in een cirkelende beweging door een kosmische nacht. Een van de figuren is een sjamaan, zijn kaftan is bedekt met sterren. Hij danst met een gestreepte `Wereldslang' die veel lijkt op de slang op de kaftan uit Sukpay.

De tentoonstelling Ornament en Abstractie wil aantonen dat de 20e-eeuwse abstracte kunst direct is geïnspireerd door oude tradities van decoratieve kunst, veelal uit niet-westerse culturen. In tien hoofdstukken wordt de wisselwerking uiteengezet tussen ornament en kunst in de 20e eeuw, van de overeenkomsten tussen het islamitisch ornament en het werk van Mark Rothko, de werking van de arabesk in het werk van Picasso, Matisse, Pollock en vele anderen, tot de invloed van het 18e-eeuwse Rocaille-ornament op het recente werk van Frank Stella. Er zijn zeer mooie voorbeelden te zien van ornamentatie, zoals een 13e-eeuws tapijt uit Egypte, een masker uit Kongo en 17e-eeuwse Nederlandse ontwerpen voor kwab-ornamenten.

Jammer genoeg is er een loodzwaar verhaal opgehangen aan de tentoonstelling. Ornament en Abstractie wil een pleidooi zijn voor de herwaardering van het ornament in de moderne westerse kunst. Kunstenaars en critici zouden het ornamentale aspect van de abstractie altijd zoveel mogelijk hebben verdoezeld; het ornament zou als `verstekeling' meegereisd zijn aan boord van het Modernisme. Zo liet Kandinsky geen gelegenheid onbenut om te verduidelijken dat de taal van de zuivere, dat wil zeggen abstracte, vormen en kleuren een veel diepere betekenis had dan decoratie. Abstractie was volgens hem, en volgens veel moderne schilders met hem, de verbeelding van een onzichtbare, geestelijke wereld. En het is waar, het ergste dat je zelfs nog in onze postmoderne tijd van een kunstwerk kan zeggen is dat het `decoratief' is.

Keer op keer wordt de bezoeker op tekstborden uitgelegd dat ornamentatie veel meer is dan een `leeg spel' en dat de traditie van het ornament juist heel rijk is aan betekenis. Maar wat hier wordt gebracht als een revolutionaire ontdekking is een open deur. Gauguin, Matisse, Picasso, Miró, Sol LeWitt, zelfs Kandinsky, geen van deze kunstenaars zou het in zijn hoofd halen om te ontkennen dat het ornament een essentiële rol speelt in hun werk. De Zwitserse schilder Joseph Albers bijvoorbeeld, wiens prachtige, felrode Homage to the Square (1969) in Bazel hangt naast een zeer fraaie `Eyedazzler-deken' met geometrische motieven van de Navajo Indianen, ontdekte in 1934 de pre-Columbiaanse cultuur in Zuid-Amerika. Hij had het gevoel dat hij gearriveerd was in het beloofde land van de abstractie. Voor Albers waren de pre-Columbiaanse voorwerpen van keramiek en textiel `kunst', evengoed als de westerse abstracte schilderkunst. Na hem zouden nog vele anderen, zoals Barnett Newman, de pre-Columbiaanse cultuur als inspiratiebron ontdekken.

Dat een schilder gevoelig is voor ornamentatie betekent niet automatisch dat zijn werk méér is dan ornament. Het late werk van Kandinsky verdrinkt in vrolijke, nietszeggende motiefjes. De wetenschap dat diezelfde motiefjes duizend jaar geleden al werden gebruikt in Oosterse culturen helpt daar niets aan. Evenmin worden de recente wandversieringen van LeWitt of de salonschilderijen van Philip Taaffe en Bernard Frize er om die reden beter op. Hun werk is decoratief, niet meer dan een vlak patroon van kleuren en lijnen. Hier wordt geen onzichtbare geestelijke wereld, zoals Kandinsky het noemde, zichtbaar gemaakt. LeWitt, Taaffe en Frize zijn er voorzover ik weet ook niet op uit om een andere wereld te laten zien. Volgens de tentoonstellingsmakers in Bazel is hun werk opzettelijk decoratief, omdat het bedoeld is als kritiek op de modernistische avantgarde en op het dictaat van zuiverheid en utopisme. Dat kan zijn, maar dit is dan een negatieve artistieke doelstelling die zeer beperkt is zoals het werk ook laat zien. Het beste is om op de tentoonstelling de achterliggende boodschap te vergeten en gewoon te kijken; er is veel indrukwekkends te zien.

Tentoonstelling: Ornament en Abstractie. T/m 23-9 in Fondation Beyeler, Bazel. Open dag. 10-18 u. Catalogus SF 91,-.