`Er zijn wéken zonder arrestaties'

Volgens een recent rapport van criminologen pakt de Amsterdamse politie jongeren harder aan dan de Groningse politie. Het `zero tolerance'-beleid in Amsterdam-West leidt ook vaker tot escalatie.

Geen ingegooide ramen, geen uitgebrande auto's op straat. Op de muren is nauwelijks graffiti en slechts hier en daar steken anti-inbraak spiezen langs de dakranden omhoog. De Amsterdamse wijk Overtoomse Veld oogt niet onheilspellend.

En toch is dit de buurt die kort geleden bekend stond als no go area. Hier raakte in april '98 de politie slaags met ruim honderdvijftig Marokkaanse jongeren. Velen vreesden dat dit het begin zou zijn van chronische etnische onlusten à la Frankrijk en Groot-Brittannië. Die vrees is tot nog toe niet bewaarheid geworden. De vraag is waarom.

De brandhaard van de wijk, het August Allebéplein, waar de jongeren samenschoolden, werd maandenlang door een overmacht aan politie met harde hand `schoongehouden'. De cultuur van zero tolerance deed zijn intrede. Uit het onderzoek onder `rellende' jongeren, dat in 1999 werd gehouden en onlangs werd gepresenteerd, zou blijken dat het in Amsterdam tussen de Marokkaanse jongeren en de politie juist door het zero-tolerancebeleid nog steeds gaat om de vraag wie `de baas' is in de buurt.

,,Van dat beeld klopt niets meer'', zegt Chris Wetjens stellig. Wetjens, voormalig parketsecretaris bij het openbaar ministerie, is coördinator op het bureau Justitie in de Buurt (JIB). Het bureau, waar reclassering, Raad voor de Kinderbescherming, Buro Halt en slachtofferhulp bijeen zitten, is gevestigd in de Piet Mondriaanstraat. De straat waarin volgens Wetjens ,,de rellen zijn begonnen''. Na de onlusten was er inderdaad sprake van de vraag `wie is de baas in de buurt', volgens hem. Daags voordat het JIB in september '99 openging, werden alle ramen ingegooid. Jongens tikten in het voorbijgaan agressief op de ramen, spuwden er tegen of plakten er kauwgum op. JIB-medewerkers werden begroet met opgeheven middelvinger. Nu is er van een openlijk beleden vijandigheid geen sprake meer, zegt Wetjens.

Wat niet wil zeggen dat er geen `etterbakjes' meer zijn. De JIB-medewerker schetst het beeld van Marokkaanse tieners die spijbelen, Breezers drinken op de rand van de zandbak en dan snel aangeschoten raken, luidruchtig worden, met flessen gooien en in het zand plassen. De buurtbewoner die meent de jongens er op te moeten wijzen dat de zandbak voor kinderen is bedoeld en geen urinoir is, wordt onmiddellijk met de dood bedreigd en ,,dat schept een onveilige sfeer'', weet de breedgeschouderde Wetjens.

Maar in zijn geheel genomen is de veiligheidssituatie in de buurt sterk verbeterd, verzekert hij. De leden van de `harde kern' van de probleemgroep zijn aangepakt. Sommigen werden naar een penitentiaire inrichting gestuurd waar ze een opleiding moesten volgen, anderen kregen taakstraffen. Nieuw is, volgens Wetjens, dat de aanpak `geïntegreerd én geïndividualiseerd' is.

Komt iemand bijvoorbeeld te boek te staan als overlastpleger, dan wordt door de diverse diensten binnen het JIB gekeken wat voor informatie ze over hem kunnen verzamelen. ,,Wat is de situatie thuis? heeft hij broers en zussen? Hoe gaat het op school? Is hij werkloos of heeft hij werk? Hoe gaat het op zijn werk? Wat voor sport doet hij en wat zijn zijn hobby's? Wie zijn zijn vrienden, heeft hij een vriendin? Dan is de vraag, wat kunnen we van die informatie gebruiken''.

Wetjens geeft het voorbeeld van iemand die als hobby iets in de techniek heeft. Mocht zo'n jongen in aanmerking komen voor een taakstraf, dan valt iets op het technische vlak te overwegen. Heeft hij geen werk, dan zou hij na afloop een begeleide stageplaats kunnen krijgen verder in die richting. ,,De vraag is steeds hoe je iemand, individueel, op het goede spoor kan krijgen.''

Naast repressief actief probeert de politie ook op andere wijze het jongerenprobleem te beteugelen. Zo werd het `en nu iets positiefs'-project opgezet. Een aantal Marokkaanse jongeren mocht onder begeleiding afgedankte computers, schoolbanken en meubilair opknappen. Wie zich aan een criminele activiteit bezondigde, werd uit het project gegooid en mocht na afloop niet mee naar Marokko om de herstelde objecten af te leveren.

Al deze maatregelen hebben volgens de JIB-medewerker vruchten afgeworpen. ,,Iedere week bespreken we de gevallen van de in deze buurt aangehouden jongeren. Voorheen waren dat er tussen de tien en vijftien per week. Nu gaan er weken voorbij zonder dat er iemand hier wordt aangehouden.''