Boebka prijst Hollandse springers

Sergei Boebka is de beste polsstokhoogspringer aller tijden. Hij is uit respect voor Chris Tamminga en Rens Blom mild in zijn oordeel over de twee Nederlandse finalisten bij de WK. Maar geen van beiden wint volgens Boebka vannacht een medaille.

Natuurlijk is Sergei Boebka bereid om iets over Chris Tamminga en Rens Blom te zeggen. De Oekraïner met één olympische en zes wereldtitels wil altijd over zijn sport praten. Maar verwacht van hem geen eerlijk, onafhankelijk oordeel, want Boebka wordt in Edmonton achtervolgd over zijn uitspraak dat polsstokhoogspringen voor vrouwen pas wat voorstelt zodra ze over vijf meter springen. Maar tussen de vriendelijke regels door laat hij blijken, dat het goed is om in Nederland geen hoge verwachtingen te wekken.

En Boebka (37) weet over wie hij praat, want zowel Tamminga als Blom heeft hij van nabij meegemaakt. De wereldrecordhouder (6,14 meter) kent Tamminga zelfs vrij goed, want die ontmoette hij drie jaar geleden in zijn woonplaats Monaco, waar de Nederlander indertijd een trainingskamp had opgeslagen. Boebka voelde zich niet te groot om de leergierige Tamminga desgevraagd enige adviezen te geven.

Hij vertelt dat hij destijds aangenaam was door het niveau van de springer uit dat onbetekenende landje. ,,Ondanks zijn geringe lengte was hij vrij goed'', herinnert Boebka zich. ,,Ik vond hem bovendien een slim mannetje, dat goed getraind was. Ik heb hem toen vooral technische adviezen gegeven, want dat is de clou van polsstokhoogspringen. Als de techniek goed is, komt de hoogte vanzelf. Ik heb Tamminga toen ook verteld dat hij op de goede weg is.''

Blom herinnert Boebka zich van zijn afscheidswedstrijd, vorig jaar in zijn geboorteplaats Donetsk. De Limburgse springer dankte zijn uitnodiging aan het feit dat de meervoudige wereldkampioen hem een ,,behoorlijke goede springer'' vond. Nadien heeft hij Blom niet meer zo intensief gevolgd en houdt hij zich in een oordeelsvorming op de vlakte. De kwalificatiewedstrijd, eergisteren in Edmonton, bood hem evenmin houvast, want Blom plaatste zich moeizaam voor de finale.

En dan vraagt Boebka plotseling: ,,Hoe is het met Laurens Looije, die in 1995 wereldkampioen bij de junioren werd? Die heeft ook ooit een keer in Donetsk gesprongen. Het verbaast me dat die jongen niet is doorgebroken; hij is blijven steken in zijn ontwikkeling. Dan ziet het er met deze twee nieuwe jongens beter uit.''

Bij de kwalificatiewedstrijd hebben Tamminga en Blom niet dermate veel indruk op Boebka gemaakt dat hij ze tot de kanshebbers rekent. ,,Onder ideale omstandigheden moeten ze in staat zijn om 5,80 meter en misschien zelfs 5,85 meter te springen. Maar ik denk dat het podium bezet zal worden door jongens die minstens 5,90 meter en misschien wel zes meter halen. De favorieten zijn volgens mij de Australiër Markov, Averbukh uit Israël, Mesnil uit Frankrijk en de Duitsers Stolle en Ecker.'' Dat Boebka geen Nederlanders noemt, mag minder verrassend heten dan het feit dat hij olympisch kampioen Nick Hysong uit de VS evenmin tot de kanshebbers in Edmonton rekent.

Boebka's uitspraken over Tamminga en Blom moeten ook worden gezien in het licht van zijn kritische houding over het huidige niveau van de polsstokhoogspringers. Want die laat zijns inziens tegenwoordig te wensen over. Boebka: ,,Natuurlijk is het niet makkelijk over zes meter te springen, maar ik zie de laatste jaren weinig progressie. Onze sport heeft innovatie nodig; het is fnuikend om op dezelfde voet door te gaan. De beste springers richten zich op zes meter, terwijl ze 6,20 meter moeten willen springen. Zo was ik wel: altijd streven naar verbetering. En dat zie ik nu te weinig.''

Mentaal en fysiek mankeert er volgens Boebka niets aan de huidige generatie springers. Het probleem schuilt volgens hem in de techniek. ,,,Ik zie te weinig dat ze snelheid op de baan overbrengen op de stok. Het lijkt wel of ze de kracht missen op het moment dat de stok in het afzetpunt wordt gezet. Want daar ligt het geheim, daarin moet de verbetering worden gezocht. Als dat lukt, kunnen ze echt hoger springen dan ik.''

Boebka heeft achter de schermen bij de Internationale Associatie van Atletiek Federaties (IAAF), waar hij vorige week in de council werd gekozen, zijn invloed aangewend om de voorgestelde wijzingen van minder springpogingen te torpederen. Als het uitgangspunt van de IAAF is dat wedstrijden niet meer zo lang moeten duren, zijn er volgens Boebka wel andere oplossingen te bedenken. ,,Een mogelijkheid is het aantal finalisten terug te brengen van twaalf tot tien en de lat niet bij elke poging vijf, maar tien centimeter te verhogen. Twintig centimeter mag ook ook. Laten we streven naar een wedstrijdduur van één uur. Dan pas kunnen de polsstokhoogspringers de toeschouwers namelijk bieden wat ze willen: spektakel.''