Bewijs tegen moslim-generaals `hele klus'

In Bosnië zijn de meeste misdaden tegen Kroaten en Serviërs, ,,en met name de meest afschuwelijke'', gepleegd door buitenlandse moslimstrijders. Drie hoge moslimofficieren staan vandaag voor de Haagse rechter.

Ze kwamen met de koran en kalasjnikov's: de mujahedeen. Tijdens de oorlog in Bosnië (1992-1995) vochten ze aan de kant van de moslims tegen de Serviërs en de Kroaten. Deze `heilige krijgers' worden, met de Servische en Kroatische paramilitairen, door het Joegoslavië-tribunaal verantwoordelijk gehouden voor de ergste wreedheden in deze oorlog. De drie moslim-officieren die vanmorgen zijn voorgeleid bij het VN-tribunaal worden op grond van de zogenoemde commando-verantwoordelijkheid aansprakelijk gesteld voor de oorlogsmisdaden van hun ondergeschikten – onder wie de mujahedeen.

Generaal Mehmed Alagic, generaal Enver Hadzihasanovic en kolonel Amir Kubura staan terecht voor de Jihad, heilige oorlog, die de mujahedeen uitvochten tegen de vijanden van de Bosnische moslims. Moslim-commandanten hebben in het verleden toegegeven dat ze weinig greep hadden op de buitenlandse strijders.

,,Kun je verantwoordelijk worden gesteld voor losgeslagen elementen'', vraagt de Utrechtse volkenrechtdeskundige Göran Sluiter zich af. ,,Hoe ver kan het Joegoslavië-tribunaal het begrip commando-verantwoordelijkheid oprekken?'' Omdat er bewijzen zijn dat de mujahedeen op eigen houtje opereerden, wordt het, volgens Sluiter, ,,een hele klus'' om de verantwoordelijkheid van de drie moslimofficieren te bewijzen. ,,De advocaat van de verdachten heeft het wat dat betreft gemakkelijker dan de openbaar aanklager'', zegt Sluiter.

Medio 1992 werden, zo schrijft openbaar aanklager Carla Del Ponte in aanklacht IT-01-47, de mujahedeen gesignaleerd in Bosnië. Ze sloten zich aan bij het Derde Legerkorps onder van Hadzihasanovic en de Zevende Moslimbergbrigade onder Kubura. Deze laatste eenheid stond bekend om haar fanatisme. De leden droegen groene hoofdlinten met moslimspreuken en kwamen bijeen voor gebed voordat ze de strijd aangingen.

Volgens schattingen van de CIA namen zo'n drieduizend buitenlandse moslimstrijders deel aan de strijd in Bosnië. ,,Ons doel is de moslims te helpen in hun strijd'', zei Abu Abdul Aziz, commandant van de mujahedeen in 1992 tegen Time Magazine. Veel strijders in Bosnië waren eerder actief geweest in de burgeroorlog in Afghanistan. Ze kwamen uit alle moslimlanden.

Met de verovering van Kabul was de Jihad in Afghanistan, volgens Aziz, voorbij. Hij vertrok naar Bosnië en vestigde zijn hoofdkwartier in de stad Travnik. ,,In iedere plaats waar moslims worden gemarteld en onmenselijk worden behandeld, moet de Jihad hen bevrijden en verheffen'', aldus Aziz. ,,Bosnië of Kashmir, broeders kunnen op ons rekenen.'' Tegen het dagblad Al-Sirat al-Mustaqeem zei hij twee jaar later: ,,Wij hebben, bij de genade van Allah, volledige jurisdictie in het gebied waar we verantwoordelijk voor zijn (Centraal Bosnië, red.). De commandant van de moslimstrijders (Hadzihasanovic, red.) wil resultaat zien; hij dicteert geen strategie of acties.'' Bij de rechtszitting, die naar verwachting pas over een jaar zal beginnen, zal waarschijnlijk lang over deze zin worden gedelibereerd: wat betekent `resultaat zien' voor de commando-verantwoordelijkheid van de Bosnische-generaal?

Het uiteindelijke doel, zo zegt Aziz in het vraaggesprek, is om van Bosnië een moslimstaat te maken. De mujahedeen deden daarom ook aan scholing en opleiding. ,,Vijftig jaar communistische onderdrukking hebben de Bosnische moslims murw gemaakt'', vertelt Abu Mohammed, een Palestijnse mujahedeen, in de The Dallas Morning News in 1994. ,,Maar ze bleven moslim en wij helpen hen om het pad weer terug te vinden.'' Twee jaar eerder uitte Abdullah Naseef, hoofd van de Wereld Moslimfederatie, in de Los Angeles Times al zijn ongenoegen. ,,De Bosnische moslims hebben lang geïsoleerd geleefd van de islamitische wereld en zijn de weg kwijt geraakt. Sommigen drinken alcohol, eten zelfs varkensvlees. Veel moslims gaan naar Bosnië om hen het doel van de Jihad uit te leggen en het idee van vechten voor de islam.''

In hoge mate dankzij de steun van de mujahedeen en militaire steun van islamitische landen hielden de Bosnische misloms in 1992 stand, zo constateert de Amerikaanse bemiddelaar Richard Holbrooke in zijn boek `To End a War'. De CIA was al die tijd op de hoogte van de activiteiten van de mujahedeen. De Amerikanen hadden geen bezwaar tegen hun aanwezigheid omdat ze de ,,geïsoleerde Bosniërs'' hielpen te overleven. Maar in het Dayton-akkoord, dat eind 1995 een einde maakte aan de oorlog, werd bepaald dat de heilige strijders binnen dertig dagen na de aankomst van SFOR het land moesten hebben verlaten. Holbrooke was bang dat de mujahedeen de wapens zouden opnemen tegen Amerikaanse soldaten. Mochten ze het land niet verlaten, zo dreigde Holbrooke, dan kreeg Bosnië geen steun. Alija Izetbegovic, leider van de Bosnische moslims, koos voor het geld, al duurde het nog jaren voor de (meeste) buitenlanders vertrokken.

De CIA heeft belangrijk materiaal aangedragen voor de aanklacht tegen de drie Bosnische officieren, die medio juli door het VN-tribunaal naar Sarajevo is gestuurd. ,,We hadden het bewijs niet eerder rond'', zegt Graham Blewitt, plaatsvervanger hoofdaanklager. Volgens hem heeft de grote vertraging te maken met de weigerachtige houding van de Bosnische Serviërs en Kroaten. ,,Dit is de tweede dagvaarding en zeker niet de laatste'', liet aanklager Blewitt weten. De aanklacht tegen de drie officieren heeft betrekking op de periode tussen januari 1993 en januari 1994.

De slachtoffers van de vandaag voorgeleide verdachten zijn met name Bosnisch-Kroatische krijgsgevangen en burgers. De aanklacht rept van executies en bloedbaden, mishandeling van en moord op krijgsgevangen en het systematisch plunderen en vernietigen van het gebied dat werd bezet door het Derde Legerkorps. De meeste misdaden ,,en met name de meest afschuwelijke, zijn gepleegd door buitenlandse moslimstrijders die zichzelf mujahedeen of `heilige krijgers' noemen'', aldus openbaar aanklager Carla Del Ponte.