Ontwikkelingshulp per satelliet

Internet via kleinschalige, goedkope satellietverbindingen zal de komende jaren enorme mogelijkheden bieden voor de minder ontwikkelde delen van de minder ontwikkelde landen. Per satelliet communiceren kan overal op aarde, ook in de uitgestrekte gebieden waar elke andere vorm van telecominfrastuctuur ontbreekt. De prijzen voor hardware zijn aan het kelderen naar een paar honderd gulden voor de vereiste schotelantenne plus wat elektronica, en daarvoor krijg je een snelle tweeweginternetverbinding. Er komen nog abonnementskosten bij, zonder pc lukt het niet, en een stroombron is onmisbaar (bijvoorbeeld een accu plus een flinke zonnecel). Maar ook de kosten daarvan gaan snel omlaag. De essentie is dat een internetverbinding spoedig in principe binnen het bereik komt van elk dorp van pakweg duizend inwoners of meer. We hebben het niet over internetverbindingen in woonhuizen, maar over collectieve voorzieningen voor honderden mensen tegelijk.

Inmiddels communiceren duizenden kleine internetaanbieders en internetcafés in Afrika, Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië per satelliet. De komende jaren zullen dergelijke voorzieningen steeds verder in de binnenlanden doordringen, tot ver voorbij de laatste bushalte, de laatste politiepost en het laatste Coca Cola-verkooppunt, zoals satelliettelevisie al jaren geleden deed. Nu al biedt WorldSpace (opgericht door een Soedanees, www.worldspace.org) voor een paar honderd gulden aan hardware een teletekstachtige vorm van internet, zonder zendmogelijkheid. Op het beeldscherm ziet het er heel echt uit, al leidt niet iedere muisklik tot resultaat. Meestal krijg je te lezen hoe laat de gevraagde filebestand weer wordt uitgezonden. Over een paar jaar ga je voor een soortgelijk bedrag interactief het net op.

Zeker nu echte internetverbindingen per satelliet nog duizenden guldens kosten, rijst de vraag wat een straatarm dorp in de Sahel of in India met internet moet. Is het een speeltje of schieten ze er echt iets mee op? En mogen ze zelf bepalen of ze internet willen – voor amusement of om armoede te bestrijden – of is dat aan de donoren? Die laatste vraag alleen al kost veel hulpgevers hoofdbrekens en hangt samen met de vraag of ICT-hulp wel helpt.

Zijn waterputten niet veel urgenter? Een schier eindeloze stroom rapporten van de Wereldbank, UNESCO, de ITU, het UNRISD en andere non-gouvernementele organisaties uit tientallen donorlanden, getuigt van de complexiteit en de ernst van de materie (zie bijvoorbeeld www.iicd.org en www.infodev.org en www.bellanet.org). Het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking (www.hivos.nl) organiseerde in juni een dag waar tweehonderd congresgangers uit Nederland en equatoriale streken zich bogen over het thema From Development Cooperation to e-Development. Dikke studies en lange congressen worden gewijd aan de rol van telecenters, internetcafés maar dan wat breder en socialer van aanpak en meestal opgezet met donorgeld.

Toen deze debatten serieus begonnen, omstreeks 1995, kostte een kleinschalige tweeweginternetaansluiting per satelliet nog één à twee ton, nu twee- tot vijfduizend gulden. Over een paar jaar is dat bedrag weer vijf maal zo laag. Het zou goed kunnen dat de hele vraag naar het nut van internet voor ontwikkeling het gravitatieveld van de ontwikkelingssamenwerking gaat verlaten omdat de satellietopties zo goedkoop worden. Iets dergelijks gebeurde met mobiele telefonie in ontwikkelingslanden. De telefoons werden betaalbaar, de gesprekskosten zijn dankzij prepaid systemen eenvoudig te voldoen respectievelijk te innen, en het had kennelijk zoveel nut, dat half stedelijk Afrika nu met een gsm'etje rondloopt. Of de rapportschrijvers bij de Wereldbank en elders dat nu wel of niet nuttig vinden voor de armoedebestrijding.