`Ik wil hen begraven. Pas dan zijn ze dood'

Jaren na de oorlogen in Kroatië, Bosnië en Kosovo worden in ex-Joegoslavië nog tienduizenden mensen vermist. In Servië is het openen van massagraven nog maar net begonnen.

Het is een warme zomer, maar de dorpelingen durven niet in het stuwmeer van Perucac te zwemmen. Sinds twee jaar zien ze delen van lichamen aan de oppervlakte drijven. Al die tijd durfden ze echter niets te zeggen, uit angst voor wraakacties van de moordenaars.

Maar een nieuwe wind waait door Servië; de nieuwe leiders zijn erop gebrand de excessen van het regime van Slobodan Miloševic openbaar te maken. En de ooggetuigen zijn niet langer bang.

Een politieman verklaarde vier weken geleden de herkomst van de lichaamsdelen in het stuwmeer. In april 1999, tijdens de NAVO-luchtoorlog om Kosovo, reed de Servische politie een vrieswagen met circa zestig lijken van Kosovo-Albanezen het meer in. Een anonieme reservist getuigde in het blad Danas: ,,Ze schoten een raket in de vrachtwagen om hem te laten zinken. Maar al snel dreven de eerste lijken door het gat naar buiten.' Een andere politieman vertelde dat getuigen twintig mark hadden gekregen om hun mond te houden. De dorpelingen werden in die tijd op afstand gehouden met een verhaal over een neergestorte helikopter. Pottenkijkers zouden worden bestraft, zo dreigde de politie.

Servische autoriteiten openen dezer dagen diverse massagraven. De doden zijn veelal van Kosovo-Albanese afkomst, te herkennen aan de traditionele pofbroek van Albanese vrouwen. Maar deskundigen moeten nog nader onderzoek verrichten om de identiteit vast te stellen.

Minister Dušan Mihajlovic van Binnenlandse Zaken vermoedt dat ongeveer achthonderd Kosovo-Albanezen zijn begraven in massagraven in Servië. De schuldigen, zo zegt hij, moeten worden bestraft. ,,Gerechtigheid zal geschieden. Tot die tijd zal niemand rustig slapen.' Waarop hij zijn schatting heeft gebaseerd, is onbekend.

In Kosovo, bij Suva Reka, vond men onlangs ook een massagraf. Volgens internationale waarnemers gaat het om overblijfselen van een paar honderd ongeïdentificeerde lichamen. De doden zouden afkomstig zijn uit diverse gemeenschappen in Kosovo. Maar de Serviërs claimen dat de meeste lijken van Servische afkomst zijn.

De tijd lijkt rijp om opening van zaken te geven over het grote aantal vermisten in ex-Joegoslavië. Met de val van Miloševic, in oktober vorig jaar, kwam een einde aan het laatste dictatoriale regime op de Balkan. Krap een jaar eerder had de nationalistische Kroatische president Franjo Tudjman zijn laatste adem uitgeblazen.

De kwestie van de vermisten is belangrijk niet in de laatste plaats voor de nabestaanden. Die hopen altijd op de terugkeer van hun dierbaren. ,,Ik wil weten waar de lichamen van mijn ouders zijn', aldus een overlevende uit de voormalige moslim-enclave Srebrenica in Bosnië. ,,Ik wil hen begraven. Pas dan zijn ze dood.' Een vermiste is niet dood. Zolang er geen lichaam is, is er hoop.

Na tien jaar oorlogvoering zijn duizenden mensen vermist. De werkelijke cijfers liggen nog hoger, zeggen ze bij het Internationale Rode Kruis in Belgrado, want niet iedereen heeft zijn vermisten bij deze organisatie opgegeven. Bosnië spant de kroon met 20.654 vermisten. Een groot deel betreft moslims uit Srebrenica: 7.475. Ruim tweeduizend lichamen zijn volgens het Joegoslavië Tribunaal tot nu toe opgegraven. De identificatie verloopt moeizaam, want de Serviërs hebben niet de tijd genomen hun slachtoffers fatsoenlijk te begraven. De tand des tijds en soms ook wilde honden en andere dieren hebben de lijken aangevreten. Ook zijn sommige doden met bulldozers verplaatst naar andere massagraven. Daarbij zijn verschillende lichaamsdelen verloren gegaan of door elkaar geraakt.

In Kosovo is men nog altijd een kkleine drieduizend Albanezen `kwijt'. En ook hier worden de nabestaanden verteerd door hoop ondanks de opening van het ene na het andere massagraf in Servië. Want in Servische gevangenissen zitten nog altijd zo'n driehonderd Kosovo-Albanezen vast. Hún identiteit is bekend, maar ergens zit wellicht een `vergeten' Albanees in een cel. Die Albanees is iemands zoon.

Ook Servië heeft mensen verloren. In Kroatië raakten 797 Serviërs zoek, in Kosovo verdwenen volgens de regering in Belgrado 1.300 mensen, al houdt het Rode Kruis het op 606. Veel Kosovo-Serviërs zijn ervan overtuigd dat hun familieleden en geliefden zijn `gekidnapt' door Albanezen. Een handvol Serviërs uit de enclave Gracanica in Kosovo is in hongerstaking uit protest tegen de langzame voortgang van het onderzoek.

Ze hebben steun gekregen van de Servische premier Zoran Djindjic. ,,De afgelopen twee jaar is de internationale gemeenschap niet in staat gebleken om het probleem van de vermisten op te lossen.' De premier is er niet eens zeker van of `die gemeenschap dat wel kan'.

Wie kan het dan wel? De besprekingen tussen Servische en Albanese politici verlopen moeizaam. Zo wilde Djindjic naar Kosovo om met Hashim Thaçi en Agim Ceku van het voormalige guerrillaleger UÇK te praten over de kwestie van de vermisten. Het zou het eerste bezoek van een Servische premier aan de Servische provincie sinds 1999 worden. Maar Thaçi en Ceku weigerden de premier te ontvangen. Op last van de boze Djindjic weigerden de Serviërs Albanese forensische experts toe te laten bij de opgravingen in Servië. Hetgeen Thaçi boos maakte.

De recente `ontdekkingen' van massagraven in Servië leiden ook tot wilde speculaties. Onder de snelweg bij Vranje zouden de lijken van Kosovo-Albanezen liggen. De weg in het zuiden van Servië is aangelegd na de NAVO-bombardementen. Alleen, de gemeente Vranje zegt van niets te weten.

Er wordt ook weer volop gespeculeerd over de Trepca-mijnen in het noorden van Kosovo. Albanezen verhalen steevast van vrachtwagens met lijken, die tijdens de luchtoorlog hun vracht dumpten in de schachten van de mijnen. Maar de internationale gemeenschap heeft het complex onderzocht en niets gevonden. Onlangs zond een Amerikaans radiostation echter een documentaire uit, waarin Servische paramilitairen vertellen over de verbranding van 1.500 lijken in het mijnencomplex. Vertellen zij de waarheid of willen ze de Albanezen van Kosovo op de kast jagen? Niemand weet het.

De massagraven in Servië ten spijt blijven sommigen het bestaan van de doden ontkennen. De vrouw van Slobodan Miloševic, Mirjana Markovic, noemde de massagraven een `morbide idee, een hersenspinsel', zoals ze na terugkomst van een bezoek aan haar man in de gevangenis van Scheveningen zei. De voorzitter van haar politieke partij antwoordde, gevraagd naar een reactie op de ontdekking van de massagraven: ,,Weet je het verschil tussen honden en Serviërs? Honden begraven botten, Serviërs graven botten op.'