God is niet koppig

– Wat je nog tegoed hebt, is het bewijs dat God niet zowel koppig als alwetend kan zijn. Ik heb dat bewijs van de Amerikaanse logicus Raymond Smullyan, die het geloof ik weer van iemand anders had, maar dat maakt ook niet uit, want de waarheid is van iedereen, er is geen auteursrecht op.

Goed, stel je voor dat iemand voor zijn ontbijt moet kiezen uit pruimen of cornflakes. Daar laat Smullyan hem uit kiezen en daar houd ik me maar aan. Verder is er een scherpzinnig psycholoog die de keuze wil voorspellen. Hij beschikt over alle gegevens, kent iedere schakeling in de hersenpan van de persoon die straks de keuze gaat maken en iedere molecuul van het ontbijtbuffet. Het geluid van een voorbijrijdende bromfiets zou de keuze kunnen beïnvloeden, maar geen nood, ook van die bromfiets en van de man die hem bestuurt kent de psycholoog alle gegevens.

Door uiterst ingewikkelde computerberekeningen voorspelt de psycholoog de keuze van de ontbijter. Hij doet het feilloos, mits hij zich aan een beperking houdt. Hij kan het resultaat niet mededelen aan zijn proefpersoon. Het zou namelijk kunnen dat die een koppig mens was met romantische ideeën over zijn vrije wil. Als hij hoort dat hij pruimen zal kiezen, kiest hij uit balorigheid juist cornflakes. Als het zo zou gaan, wordt het in principe onmogelijk om zijn keuze te berekenen.

De psycholoog kan zijn voorspelling op een blaadje schrijven en verder zijn mond houden. Dan komt die voorspelling wel uit. We zien dat de keuze van de ontbijter afhankelijk is van het gedrag van de psycholoog. Om die keuze te voorspellen, moet de psycholoog dus ook zijn eigen gedrag kunnen voorspellen.

Dat brengt ons op de gedachte om te kijken wat er gebeurt als de psycholoog en de ontbijter dezelfde persoon zijn. We nemen aan dat hij koppig is. Nu kijkt de psycholoog in zijn eigen hersenpan en weer maakt hij zijn berekeningen. Ze komen uit op pruimen. Koppig kiest hij de cornflakes. Hij kan zijn koppigheid opnemen in zijn berekeningen, dan komt hij uit op cornflakes, maar dat helpt hem niet, want koppig kiest hij dan juist pruimen. We zien dat een koppige psycholoog zijn eigen gedrag niet zal kunnen berekenen. Ook God kan niet alwetend en koppig zijn, het is logisch uitgesloten.

– Heb je God er niet een beetje met de haren bijgesleept? Het lijkt me dat je inderdaad iets over de begrippen alwetend en koppig hebt bewezen, maar zegt dat iets over God? Je gedachtegang lijkt op een oud voorbeeld. Er is vaak opgemerkt dat zelfs God geen vierkante cirkel kan maken en Thomas van Aquino beschreef het al als een ernstige zonde om daaruit te concluderen dat Zijn almacht beperkt zou zijn. Het zegt iets over het vierkant en over de cirkel, niet over God.

– Dat is wel waar, maar die begripsverheldering is toch nuttig. We hebben in ieder geval aangetoond dat een beeld van een alwetend wezen dat ook koppig is, even innerlijk tegenstrijdig is als een vierkante cirkel. Smullyan stelde zich een alwetend wezen voor dat om de een of andere reden graag koppig zou willen zijn, maar dat niet kon, omdat het zijn alwetendheid niet wilde verliezen. Hij had een beetje medelijden met dat wezen.

– Geloof jij eigenlijk in die God waar je het zo vaak over hebt?

– Dat is een interessante vraag die iedere week in het blad HP/de Tijd wordt gesteld, in een klein interview waarin verschillende mensen steeds dezelfde vragen krijgen. De meesten zeggen `nee' en er waren er maar een paar die zeiden dat ze wel in God geloofden. Maar wat ik nog nooit gezien heb, is dat iemand het antwoord gaf dat ik als het meest voor de hand liggende beschouw, namelijk `soms'.

– Soms? Zeker op momenten als nu, loom van het tennissen, de zon schijnt niet te fel, de wind ruist zacht door de bomen en de wijn smaakt aangenaam, dan willen de gevoelens dat er iets meer is bij jou wel komen?

– Soms wel, ja. Maar dat `meer' is natuurlijk niet een uitbreiding van de wereld, alsof er de wereld zou zijn en dan nog een extraatje er bovenop, namelijk God. Het moet eerder een eigenschap van de wereld zijn en van alles wat daar in is. Iets als een kleur, zou je kunnen zeggen.

Die Smullyan waar ik het net over had, vergeleek de religieuze ervaring eens met het zien van kleuren in een wereld waarin bijna iedereen kleurenblind was. Hoe moet iemand die kleuren heeft gezien dat aan die anderen vertellen? Het is een aspect van de wereld waar ze geen woorden voor hebben.

De vergelijking gaat niet helemaal op, zegt Smullyan zelf, omdat de persoon die kleuren ziet weldegelijk manieren heeft om de kleurenblinden duidelijk te maken dat hij iets kan wat zij niet kunnen. Een bijna onzichtbaar gemerkte rode bal onmiddellijk uit een berg blauwe ballen halen bijvoorbeeld. Maar wat als de ervaring van het kleurenzien zo zeldzaam is dat ze niet gereproduceerd kan worden? Of slechts één keer in een leven voorkomt, bijvoorbeeld onder invloed van gevaarlijke drugs? Dan zal de ziende zichzelf waarschijnlijk wijsmaken, om de goede vrede met de blinden te bewaren, dat de kleuren geen aspect van de werkelijkheid, maar slechts een hallucinatie zijn geweest, ook al weet hij eigenlijk wel beter.

– Met vergelijkingen kan je veel aannemelijk maken, maar om op mijn vraag terug te komen, die ging over jou; als we het over het religieuze hebben, zie jij die kleuren dan?

– Nee, ik hoor bij de kleurenblinden, maar dan ben ik er wel een die een vaag vermoeden heeft dat kleuren inderdaad bestaan.

– Ha, ha, hier zien we de religieuze fellow-traveller wel op een minimale basis opereren. Een kleurenblinde die `soms' rekening houdt met de mogelijkheid dat andere mensen echte kleuren zien. Daar valt mee te leven, moet ik zeggen, want voor fundamentalisme hoeven we bij jou waarschijnlijk niet bang te zijn. Van Smullyan lijk jij overigens een erg hoge pet op te hebben, niet?

– Ja, zijn filosofische boeken lees ik inderdaad zoals sommige mensen de bijbel lezen. Ik weet wat er in staat, maar ik lees ze toch vaak weer opnieuw, om iets te ervaren wat ik `filosofische lichtheid' zou willen noemen. Wat me bevalt is dat hij een wiskundige is, een logicus en vroeger een professionele goochelaar, maar toch geen fundamentalist van het rationalisme. In de filosofie kan het hem eigenlijk niet gek genoeg zijn, denk je wel eens. In de dialogen die hij schrijft, lijkt hijzelf meestal het standpunt van de Oosterse mysticus te vertegenwoordigen en hij ziet er eerlijk gezegd ook een beetje uit als een Amerikaanse baghwan, maar van een goochelende mathematische logicus accepteer je dat.