Elke universiteit heeft haar eigen selectiecriteria

Universiteiten mogen zelf eerstejaars aannemen. Zo verdwijnt langzaam het gesmade systeem van loting. Maar hoe selecteer je de dokter van de toekomst?

Achteraf was het wel iets voor Steven Lemmens (21) geweest, selectie aan de poort. Voor de derde achtereenvolgende keer is hij dit jaar uitgeloot voor de studie geneeskunde. ,,Het is om gek van te worden. Mijn examengemiddelde van 6,5 blijft me achtervolgen.'' Hij had, weet hij nu, moeten solliciteren naar een plek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). ,,Daar kom je ook binnen als je goed in sport bent. Ik ben wedstrijdroeier.''

De EUR doet namelijk mee aan een landelijk experiment voor de selectie van eerstejaars studenten. Onderwijsdecaan T. Splinter van de faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen: ,,Hier waren in juni zestig enthousiaste jonge mensen voor de selectie over de vloer, stuk voor stuk met goede ideeën.''

Zo tevreden is de faculteit, dat ze het percentage studenten dat via sollicitatie wordt aangenomen voor het jaar 2002/2003 uitbreidt tot 30.

De EUR selecteert studenten op motivatie, aanleg en doorzettingsvermogen. Splinter: ,,Dat moet blijken uit nevenactiviteiten op de middelbare school, zoals theater, muziek of sport.'' Na een stage, waarin de aspirant-studenten ook een opdracht over het thema `suikerziekte' moesten uitvoeren, zijn in juni 34 kandidaten gekozen, die anders uitgeloot waren. ,,Dat gaat een heel goede club dokters worden.''

De selectie van studenten voor opleidingen met een numerus fixus vervangt het systeem van `gewogen loting' hoe hoger het eindexamencijfer, des te meer kans op plaatsing steeds verder. In de jaren negentig gingen steeds meer stemmen op voor wat `selectie aan de poort' werd genoemd. Zo werd in 1998 het Utrechtse University College opgericht, dat jaarlijks topstudies aanbiedt aan tweehonderd geselecteerde eerstejaars studenten. Een drievoud hiervan wordt afgewezen. ,,Als je hier binnenkomt met de ambitie om beleidsambtenaar te worden, red je het dus niet'', legt oprichter H. Adriaansens uit. ,,Je moet minstens de eerste vrouw op Mars willen zijn. Vroeger werd selectie niet geaccepteerd, nu is het gemeengoed dat je talent en ambitie beloont.''

Voorzichtig zijn veel universiteiten en hogescholen hierna begonnen met eigen toelatingseisen. Zo heeft de Universiteit Leiden een topklasje voor twaalf talentvolle, gemotiveerde studenten per faculteit. Bovendien is op initiatief van minister Hermans (Onderwijs) vorig jaar een experiment begonnen met het `decentraal' selecteren van studenten voor opleidingen met een numerus fixus. Bij de universiteiten gaat het om de studie geneeskunde, de hogescholen doen mee met opleidingen als journalistiek en management.

Binnen bepaalde grenzen mogen de faculteiten zelf de selectiecriteria opstellen en maximaal de helft van de eerstejaars uitzoeken. Maar hoe voorspelt de universiteit wie een goede tandarts of journalist zal worden? En heeft een goede huisarts dezelfde eigenschappen als een goede chirurg?

De criteria waarop de EUR die 34 experiment-studenten heeft geselecteerd, zijn ,,volledig subjectief'', geeft onderwijsdecaan Splinter onmiddellijk toe. ,,Het blijft een gok, want dé goede dokter bestaat niet. Wij denken alleen dat studenten die aantoonbaar iets extra's hebben, de leukste dokters worden.''

De opleidingen die aan het experiment deelnemen, bedenken vrijwel allemaal andere criteria, blijkt uit een rapport dat de begeleidings-commissie in april publiceerde. De Universiteit Utrecht vraagt van sollicitanten voor geneeskunde een afgeronde opleiding aan een universiteit of hogeschool. Leiden laat gegadigden voor dezelfde studie een essay schrijven.

De School voor Journalistiek in Utrecht test op kennis, motivatie en taalvaardigheid. Bovendien krijgen allochtonen hier voorrang. Bij journalistiek aan de Christelijke Hogeschool Ede wordt behalve naar ervaring en taalvaardigheid ook gevraagd naar de ,,persoonlijke context aangaande het orthodox protestants-christelijk karakter van de instelling''.

De universiteiten en hogescholen die niet willen meedoen, zoals de universiteiten van Groningen, Nijmegen en Maastricht, volgen het experiment met scepsis. Prof. Zwierstra, directeur van het onderwijsinstituut van de medische faculteit aan de Rijksuniversiteit Groningen heeft wil er nog niet aan beginnen. ,,Je moet er veel tijd en geld instoppen, en ons is niet duidelijk wat het toevoegt'', vindt Zwierstra.