Een Portugees hunebed

Na Vilarinha da Castanheira (`dorpje van de kastanjeboom'), dat met witte muren en oranje daken op een heuveltop rust, dalen wij af naar het laagland. De stoffige warmte, die door de open ramen binnenkomt, brengt geen verkoeling. De zomerhitte heeft alle vocht uit de doornige vegetatie geperst. Verstandige mensen houden nu hun middagslaapje. Onderweg kwamen wij door primitieve dorpjes met verzakte huizen en opgebroken straten en met mestvaalten en luizige honden voor de deur. Vanaf het caféterras staarden donkere mannen ons aan. De heuvels rond de dorpjes waren overdekt door olijven, tamme kastanjes en van hun bast beroofde kurkeiken.

Je hebt de neiging om deze noordoostelijke uithoek van Portugal, dit transmontaanse achterland, in ronkende, Byroneske zinnen te gaan beschrijven – te gaan zingen over de geblakerde, verschroeide aarde, de onbarmhartige hitte, de harde kleuren en de verweerde gezichten van de trotse bewoners. `Wij zijn transmontaners', lezen wij af en toe bij winkels en benzinepompen, `voor ons komt het eigen land in de eerste plaats.'

In Jerusalem do Romeu, een half-bewoond, half-verlaten bergdorpje bij Mirandela, lazen wij op het volkshuis nog een andere zin: `Wij willen God, Vaderland en Gezin, Orde, Werk, Vrede en Vreugde'. Een tekst uit de Salazar-tijd, die niet door de Anjerrevolutie van 1974 is weggevaagd.

De vreemdeling stuit in Tràs-os-Montes niet alleen op hitte en armoede, maar ook op handenvol belangwekkende en genoeglijke zaken. Hier gelooft het volk nog in wonderen, zoals de reliekschrijnen in de kerken aantonen. Hier tref je in het stenige landschap de herinneringen aan van het Keltische verleden en van nog oudere cultuurperioden. In de dorpen en steden langs de Douro wordt een heerlijke rode wijn geschonken die de invloed van de portdruif verraadt. Die wordt gedronken bij de `cabrito' (geit), de `alheira' (een worst van kip en brood) en bij de onovertroffen `posta', een dikke biefstuk, die boven een houtvuur wordt geroosterd.

Wij volgen een bordje dat een dolmen toont. Een dolmen (Bretons voor `stenen tafel') is, net als een hunebed, een prehistorische grafkamer. Ze werden enkele duizenden jaren voor onze jaartelling gebouwd door volken die de jacht voor landbouw hadden ingeruild. De dolmens van Zweden, Ierland, Cornwall, Bretagne en Portugal zien er anders uit dan de Drentse hunebedden: in plaats van met reusachtige keien is het graf afgedekt met een tamelijk dunne steenplaat.

De aanblik van dolmens is altijd indrukwekkend. Dat geldt zeker voor die van Poulnabrone, in het kalksteengebied van de West-Ierse Burren. Boven het groene landschap doemt opeens een gekromde witte rug op met daarop een beeldhouwwerk van twee rechtop staande stenen wanden en een scheef plat dak. Het ziet er spookachtig uit, een sfeer die men terugvindt in sommige `Ierse' Bommelverhalen van Marten Toonder. Poulnabrone wordt wel het `altaar van een druïde' genoemd. In feite is het een steenskelet dat ooit door een heuvel werd bedekt. Maar het volksgeloof geeft een andere uitleg: ooit zouden hier in Keltische tijden mensenoffers zijn gebracht.

De stenen stapelmuurtjes en gele gaspeldoorns bij Vilarinho doen sterk aan het Ierse landschap denken. We rijden langs uitgedroogd harsig naaldhout en bloeiende tamme kastanjes, met hun mengeling van lichtgroene bloemstengels en donkergroen blad. Na een zijweggetje van een zijweg hobbelen wij aan grote rotsblokken en een wijngaard voorbij. Een grauwe klauwier, meteen te herkennen aan zijn zwarte oogstreep en de insecten in zijn snavel, wijst ons de weg naar een met korstmossen bedekt grijswit bouwsel. Het komt volledig tot zijn recht in dit decor van wilde grassen, klaprozen en verspreid staande bomen. Kleurige vlinders schieten van de ene bloem naar de andere. De deksteen ligt keurig op zijn plaats, alleen is een van de draagstenen naar binnen gevallen.

Wij leggen onze hand op de warme rots en hopen dat de oerkracht van het boerenvolk, dat zijn doden onder loodzware stenen tafels begroef, in onze zwakke botten zal overvloeien.