Een Fransman blijft arrogant en chauvinistisch

Het beeld dat een buitenlander heeft van zijn nieuwe vaderland kan soms onaangenaam zijn, maar het is zelden oninteressant. Afkomstig uit een land dat een intense – en vaak ook een moeizame – relatie heeft met zijn immigranten, hebben de afgelopen tien jaar in Holland mij in staat gesteld op een nieuwe manier naar mijn culturele identiteit te kijken.

Want hoewel ik in Amsterdam woon – een stad met een reputatie voor haar tolerantie en waar de problemen van racisme relatief weinig voorkomen – overkwam mij verscheidene malen het gevoel dat men mij als anders beschouwde, zowel op positieve als negatieve wijze.

Aan de buitenkant ben ik als Fransman niet te onderscheiden van de meeste Nederlanders: ik heb een blanke huid en blauwe ogen, draag geen alpinopet en loop zelden over straat met een stokbrood onder mijn arm. Maar soms hoef ik maar enkele woorden in mijn verre van perfecte Nederlands te spreken en ik voel bij onbekenden – die mij het voordeel van de twijfel zouden kunnen geven – een bepaalde afstandelijkheid. Ben ik paranoïde?

Een voorbeeld: in de tijd dat Frankrijk de nucleaire proeven op Mururoa hervatte was één ding duidelijk: het was niet goed om Fransman te zijn. Ik zei tegen iedereen die het wilde horen dat ik de politiek van een president op wie ik niet eens had gestemd, volkomen veroordeelde. Helaas, het Franse nummerbord van mijn auto was in die periode voor verscheidene mensen bij het stoplicht een uitnodiging om op de ramen te spugen.

Of je het leuk vindt of niet – of misschien wel beide – zelfs als je er niet meer woont, blijf je verbonden met je geboorteland via een onzichtbare navelstreng. En als je over de grens bent, is het beter om niet tot een volk te behoren dat blootstaat aan internationale kritiek. Want iedereen weet toch: mensen veranderen niet werkelijk. Een Fransman blijft arrogant en chauvinistisch, zoals een Duitser altijd autoritair en imperialistisch zal blijven. Het heeft geen zin om daar tegenin te gaan of om te proberen te verklaren dat elke generalisatie verkeerd is, men zou het eigen vooroordeel slechts bevestigd zien en tegen je zeggen: ,,Zie je wel, je kunt niet tegen kritiek!''

Het is misschien het beste om, met een geforceerde glimlach, te wachten tot de storm voorbij is. Maar pas op! Zorg dat het geen geamuseerde glimlach wordt: men kan dit interpreteren als een teken van jouw kenmerkende arrogantie. Welnu, dit fenomeen is niet van gisteren en komt niet alleen in Nederland voor. Verre van dat.

In een Europa, dat ogenschijnlijk verenigd is via zijn verdragen, de afwezigheid van grenzen en, straks, een zelfde munt, is het desondanks niet ongebruikelijk om onderscheid te maken op basis van nationaliteit, taal of culturele achtergrond. Hoe vaak heb ik niet mijn vrienden of familie, terugkomend van een weekendje Londen of Madrid, beschuldigd van buitensporige generalisaties, als zij weer eens spraken over `die Engelsen' of `die Spanjaarden'.

Recentelijk, tot mijn grote verbazing, heeft een medewerker van de woningbouwvereniging mij geadviseerd, nadat hij merkte dat ik Frans was, om een woning te weigeren die mij was aangeboden. Volgens hem had ik als buitenlander geen enkele kans om te integreren in de typische Jordanese gemeenschap die in dat deel van de straat woonde. Ik heb mij uiteindelijk laten overtuigen, maar er blijft twijfel: had ik die uitdaging niet juist aan moeten gaan en de culturele botsing moeten laten plaatsvinden?

Ondanks de onaangename kanten heb ik geen spijt van dergelijke ervaringen. Want hoewel ik een immigrant ben die door toeval in Nederland is terechtgekomen en verkozen heeft hier te blijven, heeft mij dat wel in staat gesteld iets te begrijpen hoe het voelt wanneer je wordt beoordeeld op persoonlijke aspecten waar je geen invloed op kunt hebben: zoals de kleur van je huid, het land waar je bent geboren en je moedertaal.

Na tien jaar verblijf in het buitenland, heb ik ook gemerkt dat sommige van mijn voormalige landgenoten mij op een andere manier beschouwen: als een Fransman op doorreis. En wanneer, in de taxi die mij twee jaar geleden met Kerstmis naar mijn ouders bracht, de Vietnamese chauffeur mij na een kort gesprek met een sterk Bretons accent vraagt uit welk land ik eigenlijk vandaan kom, omdat hij meent een buitenlands accent te horen, moet ik stilletjes glimlachen en besef: niemand is profeet in eigen land.

Pascal Plissonneau is vertaler.

Als opvolger van deze estafettecolumn nodigt hij de Amerikaanse vormgever Jonathan Arnowitz uit.