De NAVO moeten praten over wapenvermindering

Discussies binnen de NAVO over te geringe inspanningen op het vlak van militaire uitgaven zijn belachelijk omdat die uitgaven er bepaald niet om liegen. De discussie zou juist moeten gaan over wapenbeheersing en ontwapening, menen Herbert Wulf en Michael Brzoska.

Een rare zaak: wereldwijd worden tweederde van de militaire uitgaven door NAVO-landen gedaan en toch bestaat binnen de NAVO een geschil over de `te geringe inspanningen' van de Europeanen op het terrein van de militaire uitgaven, en binnen de Verenigde Staten over de vraag hoeveel de begroting van het Pentagon zou moeten groeien. Dat is een belachelijke zaak.

Integendeel, er is voor de NAVO nog nooit een beter moment geweest om nieuwe initiatieven te nemen op het terrein van wapenbeheersing en ontwapening. Ondanks een totaal gewijzigde veiligheidsomgeving bedroegen de mondiale militaire uitgaven vorig jaar nog altijd achthonderd miljard dollar, en de uitgaven bevinden zich weer in een stijgende lijn. De huidige voorraad grote conventionele wapens bedraagt nog altijd 422.000 stuks; er dienen nog altijd 22,7 miljoen soldaten in geregelde legers en wereldwijd werken bijna acht miljoen mensen in de wapenindustrie.

Na aanzienlijke reducties van de wapenarsenalen in de jaren negentig is in veel landen de ontwapening tot staan gekomen. In sommige wordt zelfs herbewapend, waarbij de Verenigde Staten de trend zetten.

Halverwege de jaren negentig belandden de onderhandelingen over wapenbeheersing in een crisis, op multilateraal niveau binnen de Verenigde Naties en bilateraal tussen de Verenigde Staten en Rusland. Het tegenstrijdige is dat regeringen toch jarenlang zijn doorgegaan met een aanzienlijke vermindering van hun arsenalen, ondanks de impasse in de wapenbeheersingsonderhandelingen.

De crisis in de traditionele wapenbeheersing en het huidige keerpunt in de ontwapening houden nauw verband met de ingrijpende veranderingen in de internationale politiek van de jaren negentig. Twee belangrijke factoren hebben vooral tot deze crisis bijgedragen.

Ten eerste was er het langzame maar gestage verval van het Russische militaire apparaat, waardoor de Verenigde Staten naar voren kwamen als de overheersende macht in de internationale veiligheidsbetrekkingen. Aan het einde van de Koude Oorlog zagen de gewezen tegenstanders kans om tot verminderingen over te gaan, omdat het duidelijk was dat de militaire arsenalen overdreven groot waren. Er werden zelfs meer grote conventionele en nucleaire wapens ontmanteld dan feitelijk in de verdragen was afgesproken.

Maar de Amerikaanse belangstelling voor strategisch evenwicht door middel van bilaterale wapenbeheersing verflauwde naarmate Rusland verder in verval raakte. De Verenigde Staten geloven wel steeds meer dat ze kleinere staten met militaire middelen in bedwang kunnen houden. De ontwikkeling van een raketschild is de duidelijkste uiting van dat beleid.

Ten tweede is in veel landen de kijk op een militaire dreiging veranderd, en daardoor ook de zin en het nut van wapenbeheersing. Het aantal militaire interventies in verre streken is in de jaren negentig toegenomen. In de discussies over nieuwe en toekomstige militaire missies staat de vredeshandhaving door de Verenigde Naties inmiddels op de voorgrond. De aandacht heeft zich gericht op regionale en binnenlandse oorlogen. De wapens waarvan de strijdende partijen zich bedienen, waaronder landmijnen, kleine wapens en lichte wapens, zijn op de agenda van de internationale wapenbeheersing gezet.

Het soort klassieke wapenbeheersing dat tijdens de Koude Oorlog was ontwikkeld, bleek onvoldoende om deze nieuwe situatie het hoofd te bieden. Evenwicht tussen grote militaire mogendheden is in de conflicten na de Koude Oorlog niet het voornaamste probleem. De nadruk ligt nu op een beperking van het verwoestende karakter van wapens en een vermindering van de kosten.

Het meest in het oog springende voorbeeld van de heroriëntering in de wapenbeheersing zijn de onderhandelingen over het landmijnverdrag van Ottawa. Toen duidelijk werd dat onmogelijk een akkoord bereikt kon worden binnen het traditionele wapenbeheersingsforum, de Conferentie over Ontwapening in Genève, sloot een coalitie van goedwillenden in een nieuw forum met succes het verdrag van Ottawa.

Er zijn twee wezenlijk tegenstrijdige benaderingen van veiligheid die stoelt op militaire basis. De ene is de poging om militair oppermachtig te worden – de weg die nu kennelijk wordt ingeslagen met het beoogde Amerikaanse raketschild. De tweede benadering berust op wapenbeheersing, onderhandelingen over een vermindering van wapenarsenalen en opbouw van vertrouwen. Welke van de twee concepten wordt gekozen, hangt af van het verzet van de wereldgemeenschap tegen het huidige Amerikaanse streven naar een grotere militaire overheersing.

Herbert Wulf is directeur en Michael Brzoska directeur-onderzoek van het Internationaal Conversiecentrum in Bonn, een organisatie die zich inzet voor de overheveling van vroegere militaire middelen naar burgerdoeleinden.

©NYTS