Van lama's tot Rembrandts

In Moskou is net een tentoonstelling van de Joesopov-collectie geopend. Een Russische, maar ook een westers getinte verzameling van schilderijen, gravures, meubels, porselein, bijeengebracht door een van de rijkste prinsen van 19de-eeuws Rusland, maar veelal verpatst door de Sovjets.

Met twintigduizend lijfeigenen was Nikolaj Borisovitsj Joesopov (1751-1831) een van de rijkste Russen van zijn tijd. Hij was trots op zijn oosterse afkomst, rekende een neef van Mohammed onder zijn voorvaderen, maar zijn hart lag in West-Europa. In zijn jonge jaren filosofeerde hij in Parijs met Voltaire en Rousseau, en op zijn oude dag liefhebberde hij met Aleksander Poesjkin in de poezië. Op zijn landgoed Archangelskoje bij Moskou, het `Russische Versailles', hield hij er een menagerie met een kudde lama's op na, een decoratief dorp voor bedienden en ambachtslieden, een toneelgroep van lijfeigenen en een harem van boerenmeisjes. `Alles beter dan elders', was zijn motto.

Extravagant, vrijgevig, intelligent, liederlijk: prins Joesopov was alles wat het verlichte Europa bij een semi-barbaarse prins uit Rusland voor ogen stond. Tijdens zijn omzwervingen kocht hij kunst, boeken, sieraden, meubels en wandelstokken met de omnivore gulzigheid van een hedendaagse nieuwe Rus. Maar zijn enorme collectie schilderijen en beeldhouwwerken vormde in de vroege negentiende eeuw een bron van inspiratie voor de Russen die hun land wilden omvormen naar westers model. `Mannen als Joesopov, blootgesteld aan de machtige westerse wind, werden een tikje excentriek... buitenlanders in Rusland, buitenlanders in het buitenland, ongeschikt voor Rusland door hun westerse vooroordelen, ongeschikt voor het Westen door hun Russische maîtresses', schreef Aleksander Herzen een generatie later.

Vorige week opende het Poesjkin Museum in Moskou onder de naam Beschaafde Gril een tentoonstelling die een indruk moet geven van de Joesopov-collectie. De werken waren lang geleden op Archangelskoje en in het Joesopov-paleis in Sint Petersburg te zien. De revolutie van 1917 sloeg de verzameling uiteen. Een deel bevindt zich nu in Sint Petersburg en Moskou, een ander deel in westerse musea en privé-collecties. Conservator Ljoebov Sovinskaja betwijfelt of ze ooit nog het geheel zal kunnen herleiden.

Het spijt deze conservator dat bijna iedereen bij de naam Joesopov aan de moord op Raspoetin denkt. Nakomeling Felix Joesopov en diens adellijke vrienden lokten de losbandige monnik in 1916 naar de kelder van het Petersburgse familiepaleis, waar giftig gebak, pistoolschoten, messen en knuppels niet voldoende bleken om hem om het leven te brengen – hij verdronk uiteindelijk in de Neva. Door de tsaar in ballingschap gestuurd, nam Felix enkele van de beste stukken uit de collectie van zijn voorvader mee naar de Krim, waaronder twee Rembrandts. Na de revolutie maakte Felix die in het Westen ten gelde. De Sovjetstaat deed op zijn beurt in zijn honger naar valuta grote delen van de Joesopov-collectie tussen 1925 en 1930 in de uitverkoop. Veel verdween stiekem in westerse privé-collecties.

Ook in het post-communistische Rusland gaat het niet goed met het erfgoed van de Joesopovs. Het familiepaleis in Sint Petersburg is nog wel een bezoek waard, al was het maar om half-komische, half-sinistere wassenbeeldengroep van Rapoetins laatste souper in de kelder. Maar het Moskouse paleis dat sinds 1727 van de familie was, versloft als zetel van de academie voor landbouwwetenschappen. En landgoed Archangelskoje is het soort schilderachtige ruïne geworden waar Nikolaj Joesopov zelf zo van hield, getuige de twee achthoekige kamers die hij er speciaal liet bouwen voor de metershoge pre-romantische, Italiaanse ruïnepanelen van Hubert Robert (1733-1808) – nu te zien in het Poesjkin Museum.

De Sovjets wezen het landgoed indertijd toe aan het Rode Leger, dat het volbouwde met datsja's voor generaals. De kas van de Joesopovs ging tegen de grond voor een sanatorium in Stalinstijl. Voor een grondige restauratie van het paleiscomplex ontbreekt momenteel het geld. In de verwilderde achttiende-eeuwse tuin van Archangelskoje stonden deze week ronde tafels met damast en zilverwerk en rijen tuinfakkels klaar voor Russische magnaten die sfeervol wilden dineren tussen Joesopovs ruïnes.

Voor conservator Sovinskaja is dat verval reden te meer om aandacht te vragen voor het stempel dat Joesopov op de Russische geschiedenis heeft gedrukt. De diplomaat, adviseur van de tsaar, toneelmeester, directeur van de Hermitage en de keizerlijke porseleinfabrieken bouwde tijdens zijn lange leven een kunstcollectie op die pas aan het eind van de negentiende eeuw in Rusland rivalen vond. Om zijn tomeloze verzameldrift te illustreren, toont het Poesjkin Museum naast tweehonderd doeken, gravures en beeldhouwwerken ook een selectie uit zijn uit 16.400 banden bestaande bibliotheek, en een keuze uit zijn meubels, klokken en porselein. Bovendien is er de levensechte pop van Jean-Jacques Rousseau, die in de familiebibliotheek stond en Felix Joesopov in diens kinderjaren de stuipen op het lijf joeg.

Tijdgenoten lieten zich de gastvrijheid van Nikolaj Joesopov graag aanleunen. `Zal ik jouw paleis nog zien', schreef Poetsjkin in 1830, hengelend naar een nieuwe uitnodiging. `Waar bouwmeesters met passer, beitel en palet/ Elke beschaafde gril van jouw gehoorzamen/ En door jou bezield in toverij wedijverden?' Maar bij het bekijken van Joesopovs' collectie bekroop de jonge dichter al het gevoel dat hij in de vorige eeuw rondliep.

Over de smaak van Nikolaj Borisovitsj valt inderdaad te twisten. ,,Een man van zijn tijd'', oordeelt conservator Sovinskaja – een tijd die het hedendaagse oog vooral treft door zijn zoetige, bombastische vulgariteit. Joesopovs voorkeur ging uit naar laat achttiende-eeuwse, sentimentele werken uit de Franse school en pastorale taferelen in schreeuwerige pastelkleuren. Daarom is een ereplaats ingeruimd voor drie grote schilderijen, destijds op bestelling gemaakt: een softpornografisch, mythologisch ensemble van Guérin (1774-1833) met in het midden een Jacques-Louis David (1748-1825), Sappho en Phaon uit 1809. Er zijn ook werken van Jean-Baptiste Greuze (1725-1805) en Pierre-Paul Prud'hon (1758-1823). Zowel uit Italië als Engeland zijn veel kleinere meesters vertegenwoordigd, maar veilig achter glas pronkt het museum met de twee kostbaarste stukken: de Rembrandts die Felix Joesopov meenam naar de Krim en die nu toebehoren aan the National Gallery in Washington: Schilderij van een man (1658) en Portret van een vrouw met veer (1660). De indruk beklijft dat Nikolaj Borisovitsj de ingetogen doeken van Rembrandt vooral aanschafte uit een achttiende-eeuwse hang naar compleetheid. Zijn eigen smaak was kleurrijk, kolossaal, sentimenteel en heel Russisch.

Tot 11/11 in het Poesjkin Museum voor Schone Kunsten in Moskou. Open: 10-18 uur, ma. gesloten. 12 Ulitsa Volhonka, metro Kropotkinskaja. Vanaf 1/12 in de Hermitage, Sint Petersburg.