Strafimpulsen

Het internationale strafrecht mag zich in een nieuwe belangstelling verheugen sinds de toch nog onverwachte komst van Slobodan Miloševic naar de Scheveningse gevangenis. Den Haag profileert zich als internationale hoofdstad van het recht. Maar er is nog heel wat meer aan de hand en daarin speelt Den Haag allesbehalve een hoofdrol. Deze ligt veeleer bij de Europese Unie. Met name het Verdrag van Amsterdam heeft gezorgd voor een strafrechtelijke versnelling, met zijn doelstelling van een Europese ,,ruimte van veiligheid, vrijheid en rechtvaardigheid''.

Deze formule is de bron van ,,een onafzienbare reeks maatregelen ten aanzien van een al even onafzienbare reeks strafrechtelijke maatregelen'', betoogde de Amsterdamse rechter en hoogleraar Swart onlangs in het juridisch studentenblad Ars Aequi. Hij noteerde niet minder dan zeventien EU-verdragen op strafrechtelijk gebied, al zijn de meeste daarvan nog niet in werking getreden. Deze laatste ontnuchterende omstandigheid doet weinig af aan de hartstocht. Swart: ,,Voorstellen tuimelen over elkaar heen, nieuwe plannen worden al weer aangepakt voordat de oude volledig zijn uitgevoerd.''

Het is verder opmerkelijk hoezeer deze ontwikkeling in het teken staat van de repressieve kant van het strafrecht ten koste van strategieën voor de voorkoming van misdrijven. En ten koste van de burgerrechten. Dat de veiligheid en rechtvaardigheid die het Verdrag van Amsterdam proclameert wel eens kunnen botsen, dreigt volledig achter de horizon te verdwijnen.

Er is nog een eerdere vraag die achter de kim blijft: waarom is harmonisatie van strafrecht binnen Europa eigenlijk noodzakelijk? De Utrechtse expert internationaal strafrecht Klip noemt het opvallend hoe weinig deze vraag onderdeel van discussie uitmaakt, terwijl het toch allesbehalve om een vanzelfsprekendheid gaat. Al was het alleen wegens het befaamde subsidiariteitsbeginsel (bestuurlijk optreden op het laagste niveau dat daartoe geschikt is), dat in het Verdrag van Maastricht zo nadrukkelijk naar voren werd geschoven om Europa ,,dicht bij de burger'' te houden. Juist op het gebied van de justitie bestaan er substantiële verschillen in de rechtsculturen van de EU-landen.

Een veeg teken is dat een duidelijke misdaad- of probleemanalyse op Europees niveau ontbreekt. Swart spreekt van een serie ,,elkaar opvolgende impulsen''. Op het eerste gezicht past dat mooi bij de nuchtere en pragmatische toon die minister Korthals (Justitie) aanslaat. Hij wijst ,,harmonisatie om de harmonisatie'' af. Deze aanpak heeft een keerzijde. Ook binnen de EU worden de marges voor Nederland steeds smaller, zoals wordt gesignaleerd in de jongste aflevering van het blad Internationale Spectator over de internationale positie van Nederland. Het aanbevolen recept van de auteur is dat ,,ons land zonder vooringenomenheid coalities vormt met landen die onze voorkeuren blijken te delen, al naar gelang de kwestie die zich aandient''. Maar dan moeten die voorkeuren wel goed doordacht zijn. Welke minimumwaarden en essentiële belangen wil Justitie veilig stellen in Europa? Deze vraag werd terecht meegenomen in de eerste ,,strategische verkenning'' die het departement in januari uitbracht. De respondenten zeg maar: een keuze uit het justitiële establishment konden niet veel meer noemen dan het Nederlandse drugs- en gedoogbeleid. Verder ziet men een probleem in de diversiteit aan opsporingsmethoden binnen Europa die een belemmering vormt voor de criminaliteitsbestrijding. Deze diversiteit vormt echter een niet onbelangrijk onderdeel van de formule ,,geen harmonisatie om de harmonisatie''.

In een nota die hij vlak voor de vakantie uitbracht doet Korthals een verdienstelijke poging de Nederlandse criteria wat aan te scherpen. Zo wijst hij op het belang van de rechterlijke vrijheid bij straftoemeting een teer Europees punt. De minister maakt overigens ook van de gelegenheid gebruik eraan te herinneren dat hij het in Euro-verband niet alleen voor het zeggen heeft en dat sommige Nederlandse wensen slecht vallen. Des te opmerkelijker is het ongenoegen dat Korthals aan de dag heeft gelegd over de bemoeienis van de Tweede Kamer met de Europese onderhandelingen. Afgezien van de principiële aspecten zou hij dat juist moeten waarderen als een steuntje in de rug. ,,Flexibiliteit vanuit een sterke beleidsovertuiging'' luidt het mooie motto van de minister. Maar de vraag blijft: hoe hard wil Korthals het spelen?