Roepnaam paars

Is de PvdA bezig ons cynisch om de tuin te leiden? Is in de regiekamer van haar geheime commandocentrale afgesproken dat zij met een campagne voor Nederland als immigratieland haar kwetsbaarheid jegens de VVD aangaande het asielbeleid wil zien te verhullen? Zodat althans dat laatste pijnlijke thema nog voor de Tweede-Kamerverkiezingen van volgend jaar mei enigszins wordt geneutraliseerd? Van zo'n akelig vermoeden geeft Hendrik Jan Schoo blijk in een interessant polemisch stuk in het katern Reflex van de Volkskrant van 4 augustus. Naast zijn waarde als `afleidingsmanoeuvre' biedt de leus `Nederland immigratieland' bovendien de mogelijkheid erop te wijzen dat de vergrijzing en het gebrek aan mensen op de arbeidsmarkt de komst van goed opgeleide migranten wenselijk maken voor het behoud van economische groei en de kwaliteit van de toekomstige sociale zorg. Ja, arbeidsimmigratie zou hier zelfs als een soort, `oplossing' kunnen worden gepresenteerd. Zo zou Paars na twee kabinetten ook de aandacht van de kiezer kunnen afleiden van het feit dat in het beleid sinds 1994 te weinig, en zeker te weinig houtsnijdends, aan de sanering van de sociale sector en de beperking van het nog steeds grote aantal uitkeringstrekkers is gedaan. Daardoor is de arbeidsparticipatie in Nederland onverminderd te laag en de inactiviteit te hoog gebleven, meent Schoo. En dat ligt er volgens hem vooral aan dat in de PvdA ,,het leerstuk van de verworven rechten het won van de vernieuwingswil''.

Bovengenoemde verwijten zijn maar een greep uit Schoo's requisitoir jegens twee paarse kabinetten die uiteindelijk maar ,,een smalle agenda en dito consensus'' hebben opgeleverd, vooral wegens dan volgt een verrassing ,,soms diepe verdeeldheid tussen VVD en PvdA over fundamentele kwesties''. Die verdeeldheid heeft de PvdA verleid tot ,,een defensieve omgang met de verzorgingsstaat en zodoende noodzakelijk nieuw beleid geblokkeerd'', aldus Schoo. ,,Mede hierdoor kan de vergrijzing nu worden voorgesteld als een dusdanig explosief maatschappelijk probleem dat nieuwe arbeidsimmigatie onafwendbaar wordt.''

Kanttekeningen. De eerste is er een bij de romantische opvatting als zou een partij in haar eentje, en dan bij wijze van een intern ontwikkelde strategie, de agenda van een aanstaande verkiezingscampagne met een nieuw thema zó snel kunnen veranderen dat haar ongemakken verdwijnen. In zo'n val zouden andere partijen zeg de VVD toch niet lopen als zij de kiezers toespreken? Daar komt iets bij: een nieuw immigratiebeleid (hoe, welke mensen, hoeveel per jaar?) staat bijna overal in West-Europa, meer of minder theoretisch, op de agenda. De PvdA hoeft dat thema niet eens naar voren te schuiven, zeker niet als truc, want het is er al. In Duitsland dat qua ziektebeeld wel wat gemeen heeft met het beeld dat Schoo van Nederland schetst geven alle partijen nu ronduit toe dat economische argumenten doorslaggevend zijn voor het geplande immigratiebeleid. Ofwel, in Duitse termen, de grens met een nieuwe EU-buurman als Polen houden we voor werknemers toch graag nog zo lang mogelijk dicht, maar geschoolde computermensen uit India zijn direct welkom.

Nog wat kanttekeningen. Juist premier Kok, die ondanks een WAO-kater in 1994 toch minder verloor dan het CDA en (aanvankelijk) met enige tegenzin leider van het eerste paarse kabinet werd, heeft er voortdurend op gehamerd dat de arbeidsparticipatie te laag was (en is) in Nederland. Hem mag worden verweten dat daaraan te weinig gebeurd is maar dan moet niet onvermeld blijven dat hij te maken kreeg met een soort disguise in blessing. Namelijk dat het economisch klimaat sindsdien zó gunstig werd dat voor dit probleem, of voor dat van de aantallen uitkeringstrekkers, niet het type publieke draagvlak ontstond dat politici en maatschappelijke groepen nu eenmaal nodig hebben voor ingrijpende correcties. Zonder zo'n draagvlak, zonder het besef bij grote groepen kiezers dat er werkelijk iets moet gebeuren, lukt in een democratie zelden iets. Het Akkoord van Wassenaar (1982) van overheid, werkgevers en werknemers, toen de faillissementen en de aantallen werklozen dramatisch waren gestegen, kwam om die reden al te laat uit economisch oogpunt. Het had eigenlijk een paar jaar eerder moeten komen, maar toen, in 1977/'78, kreeg minister (Frans) Andriessen niet genoeg handen op elkaar voor zijn plan Bestek '81. En toen lachte bijna heel Nederland nog om die sketch van Koot en Bie (de vrije jongens Jacobse en Van Es op het Binnenhof: Bezuinigen? Gaan jullie daar zelf maar bezuinigen!).

Anders gezegd: Schoo heeft economisch gesproken vermoedelijk gelijk, er had sinds 1994 in de sociale sector en het arbeidsmarktbeleid meer aan sanering en modernisering kunnen en moeten gebeuren. Maar politiek gesproken is het niet zó verbazend dat de PvdA, met de VVD als coalitiepartner en na de WAO-misère die zij beleefde tijdens het derde kabinet-Lubbers (1989-'94), zichzelf ten minste mede moest zien als de belangenbehartigster van het ook electoraal enorme legioen uitkeringstrekkers. Wat wil zeggen dat zij in saneringskwesties als deze op haar tellen moet passen, zeker met beweeglijke en snel groeiende oppositiepartijen als de SP en GroenLinks aan haar linkerkant.

Dit land gedoogt, stelt uit, en leeft van compromissen waarin zoveel mogelijk partijen wat van zichzelf moeten herkennen. Het houdt zich vaak niet, of soms slechts met grote moeite, aan regelingen die regering en parlement soms net hebben afgesproken. Zoals bij de feitelijke uitwijzing van uitgeprocedeerde asielzoekers of bij illegalen die (net) niet voldoen aan de eisen voor een verblijfsvergunning. En als we ons wel aan zulke regels houden, zoals in de kwestie-Gümus, nota bene met medewerking van de man zelf, dreigen politieke kopstukken, zoals Van Thijn, hun partij te verlaten (om dat vervolgens niet te doen). In dat land, waarin dertig jaar geleden iedereen voortdurend deed aan politiek, doet nu haast niemand meer daaraan. In dat land besloten twee oude ideologische vijanden, PvdA en VVD, de partij van de staat en de partij van de markt, tot een coalitie op voorstel van een partij, D66, die geen ideologie wenst. Roepnaam paars. Dat kost wel eens een prijs.