Op safari met een mensenredder

Mijn vriend vond het te gevaarlijk, maar ik sloeg zijn mening in de wind, terwijl ik wist dat hij als jager de Afrikaanse jungle veel beter kende dan ik. We woonden in Botswana en gingen in 1995 een weekje naar Zimbabwe. We logeerden in Detta Lodge.

Zachtjes stond ik in het donker op en sloot ik de deur van onze rondavel achter me. Samen met nog vier andere naïeve toeristen reed ik in de open achterbak van zo'n groot safarivoertuig, een 4 x 4, naar de ingang van Hwangi National Park, waar we een halfuurtje later de auto parkeerden.

Omdat we te voet op safari gingen had Benson, onze gids, een dubbelloopsgeweer bij zich, dat hij achteloos over zijn schouder gooide. ,,We blijven dicht bij elkaar, we lopen in ganzenmars en jullie volgen mij'', fluisterde hij overdreven ernstig.

Het was een leuke jongen om te zien. Mijn vriend vond hem te jong en te ambitieus om een goede gids te kunnen zijn, maar ik vond hem aardig. Zijn enthousiasme werkte aanstekelijk.

Benson liep voorop, dan een echtpaar uit Australië, gevolgd door twee zeer blonde Engelse meisjes en ik sloot de rij. De lucht was heerlijk fris, vers, schoon. De zon gaf nu wel al licht, maar nog geen warmte af. De ochtendmist dreef mysterieus tussen de bomen. Het is in de tropen het mooiste moment van de dag om te wandelen.

Al snel zagen we een giraf, die de blaadjes van een boom at. Mijn perspectief was heel anders, nu ik op de grond stond: vanuit een 4x4 denk je dat je een giraf bijna tussen de oren krabben kunt, maar nu waren haar vriendelijke ogen heel hoog in de lucht boven me. Als ik rechtop tussen haar benen was gaan staan had ik. denk ik net, met uitgestrekte armen, de zijkanten van haar grote buik kunnen voelen.

We liepen verder tot we bij een grote open plek kwamen, waar veel dieren waren. Hier stonden we lang stil. Op een goed moment zagen we tegelijkertijd een kudde zebra's grazen, een stuk of veertig giraffen die het park inliepen, een kudde Kaapse buffels, terwijl vlak voor onze voeten vijf wrattenzwijntjes wegschoten. Hun grappige pluimstaartjes verdwenen tussen de struiken.

Omdat ik te voet was, was ik me accuut bewust van mijn menselijke afmetingen en mijn plek in het koninkrijk der dieren. Ik voelde me verbonden met de eerste mens, die leefde toen zelfs pijl en boog nog niet bestonden.

Al mijn zintuigen waren alert. Ik wist precies hoe hard ik lopen kon, in welke boom ik klimmen kon en waar de wind vandaan kwam. Er leek geen gevaar te dreigen en ik genoot met volle teugen.

Mij zou dit mooi genoeg zijn geweest, maar er stond ons nog meer te wachten.

We liepen verder. Benson liet ons een plek zien waar die nacht een olifant geslapen had, maar ik merkte dat hij ongedurig werd. Ik snapte niet waarom, tot ik opeens door kreeg dat hij per se de leeuwen wilde vinden, die we die avond tevoren hadden gezien.

Veilig vanuit een 4x4 hadden we een troep van twee leeuwen, drie leeuwinnen en zeven kleine leeuwtjes in het gras zien spelen. Met zonsondergang waren de volwassen leeuwen op jacht gegaan en we hadden vreselijk gekrijs gehoord. Op zijn minst wilde Benson nu, te voet, hun prooi vinden.

We liepen door hoog gras, zeker twee meter hoog, toen we heel eventjes een leeuw hoorde grommen. We stonden stil en luisterden.

Benson fluisterde: ,,Het zijn vast alleen de leeuwinnen met hun kleintjes.'' Bedachtzaam voegde hij hieraan toe: ,,Dit hoge gras is een probleem. We zouden op een staart kunnen trappen, voordat we de leeuw zagen...''

Juist, dacht ik, of je maakt een grapje, of je bent gek.

Voorzichtig liepen we verder. Nu gromde de leeuw weer. Toen zagen we hoe hij een sprong nam in onze richting. ,,Beweeg je niet!'' zei Benson, dus stonden we stokstijf stil. Mijn hart klopte in mijn keel en ik voelde me ontzettend dom. Hoe had ik ooit de mening van mijn vriend in de wind kunnen slaan?

Het liefste was ik nu heel hard weg gerend, maar ik wist dat de leeuw mij dan zou pakken, zoals een kat een muis vangt. Als een standbeeld zo stil spitste ik mijn oren. Minutenlang hoorde ik alleen de vogeltjes fluiten. Toen hoorden we en zagen we hoe hij brullend weer een sprong naar ons toe nam.

Benson had geen keus. Hij richtte zijn geweer en schoot.

Daar waar het schot zich in de grond boorde, vloog een stofwolkje op. De leeuw, geschrokken, vluchtte weg en wij deden hetzelfde in tegenovergestelde richting.

Pas toen we uit dat lange gras waren begon iedereen zenuwachtig te praten.

,,Voor wie bang is'', zei Benson, terwijl hij groene bladeren aanwees, ,,is hier Zim toiletpapier.'' Iedereen lachte.

,,Ik was niet bang'', zei de

Australiër.

,,Echt niet?'' vroeg ik.

,,Ik vertrouwde Benson.''

,,Nu, als u niet bang was'', viel ik uit, ,,dan ontbreekt het u aan voorstellingsvermogen!''

,,Thank you, Benson'', zei een van de Engelse meisjes en ze gaf Benson spontaan een dikke zoen, waarvan hij zichtbaar genoot.

,,Je hebt ons leven gered!'' zei haar vriendin. Zelf was ik net tot de tegengestelde conclusie gekomen. Had hij niet al onze levens in gevaar gebracht?

Terug in Detta Lodge strompelde ik naar de tafel waar mijn vriend zat te ontbijten, maar hij trapte er niet in. Hij had al gehoord dat het allemaal goed afgelopen was.

,,Het had in Botswana nooit kunnen gebeuren, omdat daar de gidsen nooit gewapend zijn'', zei hij strak.

Hij keek naar de held. Alle hotelgasten hingen aan zijn lippen en de Engelse meisjes hadden beiden een arm om hem heen geslagen.

,,Geef een man een geweer en hij voelt zich machtig. De dieren worden hier onnodig lastig gevallen'', zei hij geërgerd.

Ik knikte. Ik was het roerend met mijn dierenvriend eens. Maar ik was blij dat ik nog leefde.