Onze postbode (3)

De openingsceremonie van het nieuwe pizza-restaurant in Anost leek een tuinfeest te worden. Bij aankomst troffen we een menigte opgedofte genodigden op het terras en in de tuin. Fortin, horecakoning en eigenaar, kwam ons tegemoet met zijn bekende uitbundige begroeting: ,,Madame, monsieur, quelle bonne surprise!'' Het leek of we lang als vermist opgegeven waren geweest. Hij troonde ons mee naar binnen, naar `een tafel die hij speciaal had gereserveerd'.

Het interieur van het oude, bruingerookte Café de la Poste bleek te zijn getransformeerd tot een betegelde koelcel. Fortin installeerde ons aan een tafeltje tegenover de oude toog, van waar we met wat reikhalzen zicht hadden op een deel van de tuin. Zelf dribbelde hij gauw weer naar buiten, voor de toespraak van de burgemeester.

Nu, wij zaten tenminste koel, buiten heerste een onbarmhartige hitte. Geneviève, de dienster uit `la Galvache', kwam op ons af en wenkte een jongen met een voorschoot, die als een behendige jongleur een dienblad vol champagneglazen hoog boven zich in evenwicht hield. Ook kregen we een schaaltje voorgezet met `gougères' (Bourgondische borrelhapjes). Zien deden we niet veel vanaf onze plaats. Ons uitrekkend zagen we door het raam een deel van de tuin. Wel hoorden we uit een versterker flarden van een toespraak. Maar ons raam bleef verder leeg. Totdat er een kind kwam spelen met een bal. Maar de bal rolde weg en het kind verdween er achter aan. Toen verschenen er twee oude dames op ons toneeltje. Ze stelden zich keurig naast elkaar op om te luisteren naar iets dat kennelijk niet boeide. En daarom maakten ook zij weer rechtsomkeert.

Nu bleef ons beeldscherm dus even leeg. Maar niet lang; er verscheen een mooie jonge vrouw gevolgd door drie mannen. Zij was werkelijk beeldschoon. En meer dan dat – ze was niet van deze tijd. Waar kwam ze vandaan? Ze droeg een elegant ensemble van roomkleurige dunne stof met een enkele decoratieve opdruk van lentegroene blaadjes. Chemise en rok sloten strak om haar welgevormde lijf en kleedden toch ook weer onberispelijk af, zoals past bij dames. Kwam zij soms van het Château de Varin, hier dichtbij, en was zij verdwaald? Haar kleding, make-up en houding verrieden afstand.

De mannen waren notabelen, wat onwennig in het pak. Zij stelden zich tegenover de jonge vrouw op om een gesprek te beginnen. Wij hoorden niets maar zagen hun monden steeds sneller bewegen in een poging haar aandacht te vangen. Maar zij reageerde nauwelijks, zij bleef kaarsrecht staan, onbeweeglijk en onbewogen. Het werd nu een echte pantomime, een scène uit een stomme film. De mannen schoven bijna onmerkbaar op en sloofden zich uit. Tevergeefs, zij gaf geen krimp en vertrok zelfs geen wenkbrauw. Zij verzette haar benen, waardoor haar bekken wat kantelde en ook de stand van haar hoofd veranderde. Zij knikte nu een keer en wees zelfs met een hand in een onbestemde richting over de heg. De middelste van de drie notabelen raakte hier opgewonden van; hij maakte nu allerlei drukke gebaren en stak de vingers van een hand op. Daarop schudde zij duidelijk van nee en stak de vingers van beide handen op. De mannen bulderden nu van het lachen. Zij bleef rechtop staan, met het hoofd achterover. Twee van de mannen maakten nu een soort buiginkje voor haar en verdwenen, de middelste van de drie bleef staan.

Wij hadden de hele tijd toegekeken zonder ook maar iets te begrijpen van dit tafereel. Totdat ineens Geneviève naar ons toekwam om te zien of het ons aan niets ontbrak. Nee, wij hadden niets nodig. Zij volgde onze blik naar buiten en zei plompverloren: ,,Kent u haar niet? Dat is Michèle de Vilié; zij werkt bij de post; haar man heeft dit restaurant verbouwd. En omdat hij hierna geen opdracht meer heeft, staat Michèle hier om nieuwe opdrachten te werven.'' Zij lachte luidop toen ze onze stomverbaasde gezichten zag. En inderdaad waren we totaal verbluft: was die oogverblindende verschijning, die afstandelijke Lady Chatterley, gewoon Michèle geweest, ònze Michèle, de postbode? Nee, dat konden we niet geloven!

De volgende dag nam ik de proef op de som. Toen zij de post had aangereikt en de stoep afliep naar haar autootje, kon ik niet nalaten te zeggen: ,,Een ogenblik, Michèle. Ik vond je gisteren veel mooier.'' Zij lachte als altijd, maakte een verontschuldigend gebaar naar haar spijkerpak en zei: ,,C'est le boulot, monsieur.'' (,,Het is de baan.'') En er gebeurde iets onverwachts. Ze bloosde, diep donkerrood tot achter in haar hals.