Meer gevoel voor de reljeugd

De strikte aanpak die `zero tolerance' heet, werkt op jongeren in probleembuurten alleen maar averechts, stellen drie criminologen. Pleidooi voor een `sensitieve' benadering. Keert de geitenwollen sok terug?

De laatste keer was het de Utrechtse korpschef L. Vogelzang, die in mei nog pleitte voor een harde aanpak van Marokkaanse probleemjongeren in de stad. Die moesten voortaan maar berecht worden volgens het strafrecht voor volwassenen. Want, zei Vogelzang erbij: ,,In de Marokkaanse cultuur maakt een harde aanpak indruk.''

Vogelzangs uitspraak was niet zo heel opzienbarend in het licht van de roep om een `harde aanpak' die de laatste jaren alom steeds sterker werd. Maar nu lijkt een onderzoek dat drie Groningse criminologen in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken deden, dat tij te willen keren. Zero tolerance werkt in probleembuurten averechts, stellen zij. Een harde aanpak van probleemjongeren vergroot de kans op escalatie. De politie moet daarom volgens de onderzoekers ,,een meer sensitieve'' benadering ontwikkelen. Het rapport is naar alle Nederlandse politiekorpsen gestuurd.

De term zero tolerance komt uit New York, waar de republikeinse burgemeester Giuliani er eind jaren '90 populair mee werd. Niets zou hij nog dulden, ook de lichtste vergrijpen niet. Door rood rijden? Boete. Een agent uitschelden? Bon. Het straatschoffie van vandaag is de crimineel van morgen, was de gedachte, dus breek die criminele carrière in de knop. Het aantal moorden in New York daalde met 60 procent, zakkenrollerij en autodiefstallen met de helft. Dankzij zero tolerance, claimde Giuliani. En van over de hele wereld kwam men het wonder bekijken. Ook Nederlandse Kamerleden en politiefunctionarissen, die wildenthousiast terugkeerden.

Sommigen plaatsten kanttekeningen, zoals de voormalige Amsterdamse korpschef E. Nordholt die in 1998 in deze krant zei dat Nederland New York niet is. Maar ook hij ging tóch om. ,,De repressieve druk van een korps is zeer bepalend voor de veiligheid in de stad'', zei Nordholt. ,,Hoe meer er bekeurd wordt, hoe veiliger het wordt. Zijn opvolger, J. Kuiper, gaf zijn agenten het boekje Streetwise, met de precieze boetes voor wildplassen en door rood rijden. En ook in de andere grote steden leek Zero Tolerance het definitieve antwoord op wat voortaan meesmuilend `de geitenwollensokken-aanpak' werd genoemd. Geregeld was ook uit de Tweede Kamer een roep om `harde aanpak' te horen.

Nu pleiten de Groningse criminologen, geheel tegen de tijdgeest in, voor een ,,sensitieve'' aanpak. Zijn we terug bij de geitenwollen sok? Nee, zegt criminoloog Nijboer: ,,Er kunnen zich nog steeds situaties voordoen waarbij je zero tolerance moet toepassen. Maar dan wel situaties die al zozeer geëscaleerd zijn, dat niets anders helpt.''

46 jonge relschoppers interviewden de onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen. De ene helft was betrokken bij rellen in de Amsterdamse wijk Slotervaart/Overtoomse veld in 1998, de andere helft bij rellen in de Groningse Oosterparkbuurt in 1997. Die gesprekken werden eind 1999 gevoerd. En al had Groningen een voorsprong – de politie had er na de rellen een jaar langer de tijd gehad om de boel te sussen – toch signaleerden de criminologen een opmerkelijk verschil.

In beide steden was de grondhouding van de jongeren ten opzichte van de politie nog negatief. Maar in Groningen was de grimmige sfeer intussen wèl gedeëscaleerd: de jongeren bleken te begrijpen dat de politie ,,ook maar haar werk'' moet doen. In Amsterdam, daarentegen, ging het tussen de jongeren en de politie nog steeds om de vraag wie ,,de baas'' in de buurt was. En daardoor was de situatie er explosiever dan in Groningen.

Groningen heeft `buurtregisseurs', Amsterdam wijkagenten. Functie van beiden is om de jongeren, dicht op de huid, te leren kennen en een vertrouwensband met ze op te bouwen. Maar Amsterdam heeft daarnaast óók een beleid van zero tolerance. En dat geeft volgens de onderzoekers de doorslag: zero tolerance nodigt in probleembuurten alleen maar uit tot een krachtmeting tussen jongeren en gezag.

De criminologen leiden uit het onderzoek af dat er drie factoren zijn die het het plegen van geweld in de hand werken. Allereerst lieten de jongeren blijken dat ze gewelddadig werden door gebrek aan vertrouwen in politie en justitie. ,,Rechtvaardigheid'', dat misten ze. Ten tweede bleek de kans op geweld meer aanwezig te zijn bij jongeren voor wie de eenheid van de buurt centraal stond. Hun territorium moest als het ware tegen de, onbetrouwbare, politie worden verdedigd. Ten derde speelde, het lijkt paradoxaal, een ,,behoefte aan veiligheid'' een rol. Wie in een gewelddadige buurt opgroeit, stellen de onderzoekers, ziet zich gerechtigd voor zijn eigen veiligheid op te komen. Zo ontstaan eigen regels en een straatcode. Wanneer de politie voor deze regels geen begrip toont door die van de openbare orde met harde hand op te leggen, betogen de onderzoekers, vergroot ze het risico op escalatie doordat de jongeren zichzelf en hun buurt zullen verdedigen.

Toch rest een vraag: de ondervraagde jongeren in Amsterdam zijn Antilliaans en Marokkaans, terwijl die in Groningen autochtoon zijn. Is dát niet de verklaring voor de meer explosieve sfeer in Amsterdam? De onderzoekers signaleren immers zelf dat de Amsterdamse jongeren zich door de politie ,,gediscrimineerd'' voelen.

,,Allereerst hebben we het niet over criminaliteitscijfers, waar misschien een verschil tussen jongeren van allochtone en autochtone afkomst waarneembaar is, maar over verstoring van de openbare orde'', zegt criminoloog Nijboer. ,,Bovendien blijkt dat de jongeren in Amsterdam en Groningen helemaal niet verschillend reageren op terughoudender politieoptreden.'' Goed, stelt Nijboer, in Groningen voelt men zich misschien niet `gediscrimineerd'. ,,Maar wat betreft het wantrouwen tegenover justitie en politie, zie je tussen Groningen en Amsterdam niet veel verschil. Dat blijkt vooral uit de rol van de wijkagent en de buurtregisseur. In beide steden zijn de jongeren in staat met hen wèl een goede relatie op te bouwen.''

Volgens Nijboer bewijst het dat een begripvolle, enigszins terughoudende en op samenwerking gebaseerde aanpak veel beter werkt dan een beleid van zero tolerance. ,,En dit is niet per se een softe benadering. Een wijkagent corrigeert óók. Het gaat er ons vooral om dat je de Amerikaanse vorm van zero tolerance niet zomaar in Nederland kunt overplanten.''