Het Engels verliest terrein in Amerika

De welvaart van de Amerikanen is het afgelopen decennium gemiddeld genomen aanzienlijk gegroeid. Hun inkomen steeg, hun huizen werden groter en ze zijn steeds beter geschoold. Maar ook de omvang van hun schulden, vooral in de vorm van hypotheken, nam in de jaren `90 fors toe.

Dit blijkt uit gegevens die gisteren zijn vrijgegeven door het Amerikaanse Census Bureau. De gegevens, een voorschot op een compleet census-onderzoek over het afgelopen decennium, berusten op onderzoek onder 700.000 huishoudens.

Een van de opmerkelijke bevindingen is dat in bijna een op de vijf huishoudens geen Engels maar een andere taal, veelal Spaans, wordt gesproken. In Californië geldt dat zelfs voor 40 procent. Tien jaar geleden sprak nog maar maar 14 procent van de mensen thuis een andere taal dan Engels.

Het gemiddelde inkomen van een Amerikaans huishouden bedroeg in 2000 41.343 dollar. In 2000 zat 12,5 procent van de huishoudens beneden de armoedegrens, vergeleken met 13,1 procent in 1990. Gemiddeld zijn de Amerikanen 1.307 dollar per maand kwijt aan de afbetaling van hun hypotheek, maar ze wonen dan ook in steeds grotere huizen. Een kwart van de mensen woont nu zelfs al in huizen met zeven kamers of meer, een lichte toename ten opzichte van 1990. Meer dan 90 procent van de huishoudens beschikt over ten minste één auto en 18 procent bezit zelfs drie of meer auto`s. Die auto's zijn overigens ook harder nodig dan vroeger, want de meesten moeten langer rijden dan in 1990 om hun werk te bereiken. In het jaar 2000 bleek een kwart van de Amerikanen van boven de 25 jaar ten minste over een Bachelor's graad te beschikken tegen 20 procent in 1990.