Gids

Rome moet de stad zijn met de grootste bezienswaardigheidsdichtheid – als ik dit woord mag introduceren – ter wereld. Op elke straathoek een kunstschat, of op zijn minst iets dat er uitziet als een kunstschat. (Vooral Italiaanse mannen schijnen dat nog wel eens van zichzelf te vinden.) Rome zal ook wel de grootste reisgidsdichtheid hebben. Tussen beide vormen van dichtheid bestaat nu eenmaal onvermijdelijk een oorzakelijk verband.

En met reisgids bedoel ik dan niet die onhandige paperback die de toegewijde reiziger als een bijbel tegen zijn bezwete hart drukt, nee, ik bedoel de altijd weer verbijsterend goed gehumeurde persoon die met opgestoken hand, vlaggetje of paraplu een stoet toeristen aanvoert. Ik heb ze in Rome in alle varianten gezien en hun moed en doorzettingsvermogen vaak bewonderd. Het zijn kleine generaals die hun legertje met vaste hand door de absurde veldslag van zo'n vakantiedag leiden.

Hun zorgen zijn niet gering. Is iedereen er nog? Kan de oude mevrouw uit Leeds nog meekomen? Waar zijn die jongens uit Manchester gebleven? Hebben ze genoeg gegeten? Moeten ze nog plassen? Kijk, en dan gaan we nu naar de Sixtijnse kapel, ik mag daar niet hard praten, dus ik zeg u nu alvast wat u te zien krijgt. Wilt u er wel voor zorgen dat u over een uurtje weer buiten staat, want we moeten vandaag nog véél meer zien?

Ik mag graag naar die groepjes kijken. Terwijl de gids de belangrijkste feiten opdreunt, vertoont de groep alle kenmerken van de klas-op-schoolreis: een mengeling van verveling, vermoeidheid en uitgedoofde belangstelling. Zijn er nog vragen? Nee, er zijn nooit vragen. De hitte en de drukte hebben de weetgierigheid volledig uitgehold. Wat moeten we vandaag nog doen? Het Colosseum, de Sint-Pieter én het Pantheon? Nee toch? Ik wil een terras en een biertje.

Het staat allemaal op die gezichten te lezen. Reizen is werken geworden, keihard werken. Van 's morgensvroeg tot 's avonds laat. Het moet, het is investeren in je toekomst. Ooit zal het moment aanbreken dat je kunt zeggen: ,,Wat mij bij die fresco's van Michelangelo opviel...''

De toerist probeert voortdurend de snob in zichzelf tevreden te stellen. Dat geldt niet alleen voor de groepstoerist, maar ook voor de individuele toerist. Voor de laatste misschien nog wel meer, want hij waant zich superieur: ,,Ik mag graag naar die groepjes kijken.''

Toch blijf ik voorlopig liever individueel reizen. De groep biedt je veiligheid en gemak, maar snijdt je ook af van het alledaagse leven. Ik kan nu tenminste precies voordoen hoe je moet oversteken over zo'n krankzinnig drukke Romeinse straat.

Dat gaat zo. Je kijkt je partner nog één keer liefdevol aan, je vraagt haar de kinderen thuis zo spoedig mogelijk in te lichten, je probeert nog een laatste brief mee te geven (niet aan je minnares) – en je stort je halsoverkop voorover in de kolkende massa, zonder verder op of om te zien, als een blinde zwemmer. Verkeersregels zijn er niet, er is alleen de willekeur van God, en die mag je vooral in Rome nooit onderschatten.