Big Trouble in Little China

John Carpenter is een regisseur die louter extreme reacties oproept: hartstochtelijke verering of hartgrondige haat. Carpenter vestigde zijn naam als ongekroonde koning van de B-film al in 1978 toen hij miljoenen bioscoopbezoekers de stuipen op het lijf joeg met de inmiddels klassieke slasher-film Halloween. Zijn cultstatus bouwde hij uit met een oneindige parade van levende doden, behekste machines, al dan niet gemaskerde seriemoordenaars en buitenaardse griezels in onder andere Christine, They Live, Starman en Prince of Darkness. Maar de film die geldt als de kroon op zijn oeuvre is het atypische Big Trouble in Little China. Geen horror of sciencefiction deze keer maar een merkwaardige mix van avontuur, actie, mystiek, klucht en kung fu, die nog het meest doet denken aan een kruising tussen Bruce Lee en Ghostbusters met een vleugje Commando.

Ondanks zijn ondefinieerbaarheid draagt Big Trouble in Little China het stempel van de meester. Zo is de hoofdpersoon Jack Burton (Kurt Russell) een antiheld naar onmiskenbaar Carpenter-model. Hij is een lompe, luidruchtige vrachtrijder met een talent voor mislukking. Als het op vechten aankomt, schiet hij vóór de eerste slag valt in het plafond zodat hij zichzelf met neerstortend pleisterwerk uitschakelt. Of hij loopt zó lang te frunniken met zijn goed ingepakte mes dat, als het lemmet eenmaal ontbloot is, alle tegenstanders al op de grond liggen.

Deze Burton wordt tegen wil en dank het avontuur in gesleept als de verloofde van zijn vriend Wang Chi wordt gekidnapt. De boosdoener, de tweeduizend jaar oude Chinese demon Lo Pan, is weer een typische Carpenter-bad guy: emotioneel leeg, karikaturaal en zich voortbewegend als een zombie met reuma. Hij wil het groenogige slachtoffer trouwen om weer sterfelijk te worden en hoe kan het ook anders zijn heerschappij op aarde te vestigen. Hij wordt daarin bijgestaan door een trio bovenaardse krachtpatsers die gekleed gaan in curieuze rotan lampenkappen en zich voortbewegen per bliksemschicht.

Het verhaal is flinterdun en de karakters schematisch, maar daar gaat het in Big Trouble in Little China niet om. De kracht zit in de absurde dialogen, die met stalen gezicht, monotoon stemgeluid en op repeteergeweersnelheid worden afgevuurd. De door Carpenter zelf gecomponeerde soundtrack met synthesizerkitsch is ook onontbeerlijk. En dan mogen we niet de groteske decors vergeten, die topzwaar zijn van de neonverlichting, rookspuwers, klapdeuren en dubbele wanden.

Maar waarmee Carpenter zijn tijd echt vooruit was, is de choreografie van de vechtscènes. De film puilt uit van het volautomatische wapentuig maar dat is alleen bedoeld voor het geluid; als er echt gevochten moet worden dan gaat dat met traditionele wapens of de blote vuist. De krijgers rennen tegen muur op, zwaarden zwiepen vervaarlijk en het ge-kiiiaaaa!!! is niet van de lucht. En dit alles lang voordat Jackie Chan de martiale kunsten een trouw westers publiek bezorgde of Crouching Tiger, Hidden Dragon het Pathé-publiek bekend maakte met het acrobatisch zweven over daken.

Big Trouble in Little China (John Carpenter, 1986, VS), SBS6, 20.30-22.15u.