Paradrooper

Het zomert op mijn balkon. Ik droom wat voor me uit. In 't lover van de boom zijn mezen druk in de weer. Eén maakt een tussenlanding, op de balustrade. Zijn kopje scheef observeert hij mij, ik hem. Ik zal hem geen kool stoven, zie ik hem denken.

Vanuit mijn ooghoek zie ik, op de vuilnisbak, Drooper, de poes. Haar staart vibreert. Ik schrik! Met mij, 't vogeltje. Wég vertrouwen! Wat wil je, Drooper heeft zich gelanceerd, als een kanonskogel: een twaalfponder! Richting krap twee ons wegend doelmeesje. Die kiest bijtijds het luchtruim. Een nanoseconde erna vliegt Drooper langs, en over de balustrade. Oei! Met een doffe klap boort zij zich in het gazon, twee verdiepingen lager. Geschrokken kijk ik haar na. Drooper komt met de schrik vrij, maar óógt als een flinke kater.