Man uit een sprookje

Al jaren staat hij in het doel. Er komt geen einde aan. Elke dag wordt hij een jaar ouder. Elke dag vertoont zijn gezicht meer groeven en meer uitslag. Nog even en hij is niet meer uit het doel te slaan, dan heeft hij zich geworteld tussen de doelpalen en kan hij alleen nog met een bijl worden verwijderd. Fred Grim, eens in het tweede elftal van Ajax, toen in het eerste van Cambuur en nu al jaren in het eerste van Ajax, alsof er geen betere te vinden is.

Inderdaad, Ajax is niet in staat een betere doelman te vinden. In de jeugd worden om onopgehelderde redenen geen betere keepers opgeleid, terwijl op de reservebank de doelman van het Roemeense nationale elftal zich afvraagt wat hij nu slechter doet dan Grim. Even hebben de wijze mannen van Ajax in hun onvermurwbare hang naar mooie, vervlogen tijden overwogen de vroeger in eigen kring nog excellerende Van der Sar terug te nemen. Maar het handjevol miljoenen guldens dat de Amsterdamse grutters Juventus boden, schijnt vooral de lachlust bij de trotse Italiaanse leiders te hebben opgewekt. Waarna zij Van der Sar voor het vijfvoudige van de hand deden aan het clubje Fulham.

Je zou bijna medelijden krijgen met het grote Ajax van weleer. Die machtige club te zien spartelen als een hulpeloos kind in de boze wereld. Maar dat hoeft niet. Een Ajacied schaamt zich niet. Die gaat met de borst vooruit de wereld in en zegt tegen alleman dat hij echt voor niemand bang is. Bluffend en bulkend van overmoed, schreeuwend dat Ajax over het mooiste en beste stadion ter wereld beschikt en dat de tijd van groeiend gras voorbij is. Pas maar op, zegt de Ajacied, want wanneer de hele wereld naar Amsterdamse maatstaven op kunstgras voetbalt, wordt Ajax weer wereldkampioen. Een beetje dom, dat Ajax. Want wie luistert nog naar Ajax?

Voorlopig is Ajax, de club wier leiders en aanhangers hardnekkig blijven beweren dat hun club aan de wereldtop hoort te staan, afhankelijk van het doelmanswerk van de 35-jarige Grim. Een man van stavast, dat wel. Een man die de ballen uit zijn doel ranselt alsof het kwaadaardige vuurvliegjes zijn. Een man die zich anderhalfuur lang schor schreeuwt tegen de chaotische verdedigers voor zich en verdwaasd van hoek tot hoek springt in de hoop Ajax te kunnen redden van alweer een afgang. Het moet gezegd: zo slecht is zijn doelmanswerk niet. Grim doet altijd zijn uiterste best. Zoals meer voetballers van Ajax, op een enkeling na die zich daar te goed voor voelt, dreigt met vertrek en dan verongelijkt opstapt.

Er zijn heel veel wedstrijden dat men te doen heeft met Grim. Wat die man op zijn leeftijd niet allemaal moet doen om zijn club te redden en de talrijke supporters een ellendige dag te besparen. Wat hij niet moet doen om sponsors en het volk in de business-seats en skyboxen een `leuke' dag te bezorgen. Maar Grim mag dan een goede doelman zijn, hij kent zijn beperkingen. Hij weet dat hij niet meer dan zijn uiterste best kan doen, omdat hij een sportman is en plichtsgetrouw zijn werk doet. En hij weet dat elke fout van hem fatale gevolgen kan hebben voor zijn nerveuze teamgenoten, voor zijn club en voor hemzelf – nog één fout en de reservedoelman mag zich warmlopen.

Waarom staat Grim nog steeds in het doel van het eerste van Ajax? Waarom ziet de minzame huisvader uit het vriendelijke Landsmeer ballen op zich afkomen alsof het bommen zijn? Omdat hij bang is dat één ervan doel treft. Omdat hij niet wil dat Ajax wordt getroffen. Fred Grim is een doelman die van hogerhand wordt opgedragen een sprookje in stand te houden. Hij is een man uit een sprookje.