In Rome

Toen de G-8 top in Genua plaatsvond, had ik net een paar weken Rome achter de rug. Daarom stond ik niet zó vreemd te kijken van de berichten over overijverige Italiaanse politieagenten.

Wat me in Rome al na enkele dagen begon op te vallen, was de ostentatieve zichtbaarheid van de politie. Steeds wanneer zich groepjes vormden van toeristen, jongeren, voetbalsupporters et cetera, piepte er een politiebusje om de hoek. In de drukkere gedeelten van de stad zag je bijna overal politiemensen rondlopen.

Aanvankelijk geeft dat een geruststellend gevoel. Ik heb me in Rome veiliger gevoeld dan in het centrum van Zaltbommel, terwijl dat toch alweer een stuk veiliger is dan het centrum van Arnhem. Junks heb ik er niet gezien, psychopathische zwervers nauwelijks – alsof Berlusconi ze allemaal ter ere van mijn bezoek in de kerker had laten werpen. Arme Amsterdammer, had hij misschien gedacht, ziet thuis meer junks dan politiemensen, we gaan hem eens lekker verwennen.

Ik heb me die geste in het begin heerlijk laten aanleunen. Het dorpsgevoel van vroeger kwam onverwachts terug: je kon uit het raampje van je voordeur weer zo'n naïef touwtje laten hangen. En dat in een miljoenenstad als Rome! De enigen die je onbeschaamd bestelen zijn de taxichauffeurs, maar zij zijn geëxcuseerd door de waanzin van het Romeinse verkeer: wie in zo'n hel moet overleven, kan er geen moraal op nahouden.

Maar na een paar dagen begon er iets te kriebelen in de buurt van de zwevende ribben, waar de vrijheidsgeest zetelt. Al die nauwgezet observerende politiemensen, kon het niet wat minder? Vanwaar die nooit versagende surveilleerdrift die je in Nederland alleen bij gemengde politiekoppels ziet in snel voorbijschietende auto's? Was de koffie op de Italiaanse bureaus dan zóveel minder lekker dan op de Nederlandse?

Als kind van de jaren zeventig ben ik misschien nog niet genoeg vergeten hoe gemakkelijk de politie zich ook tégen je kan keren. Met als excuus: ,,Dan had je daar maar niet moeten lopen.''

Toen kwam die ervaring op de trappen van het Palazzo Venezia, een paleis waar Mussolini nog zijn werkkamer op de eerste verdieping heeft gehad. We gingen argeloos op een van de onderste trappen zitten. Een fluitje weerklonk, en nog een en nog een. Wij, brave Nederlanders, hadden niets in de gaten – totdat andere toeristen gebaren begonnen te maken. Een politiemannetje was ons inmiddels genaderd. Hij blies woedend op een fluitje. Wég van die trappen, daar mocht niet gezeten worden. In zijn pontificale strengheid deed hij nog het meest denken aan die merkwaardige suppoost in de Sixtijnse kapel, wiens taak het was dat hij de hele dag ,,Ssst... ssst'' moest sissen tegen al te luidruchtige bewonderaars van Michelangelo.

We liepen verder de trappen op. Opeens werd onze aandacht getrokken door een politieman die boos op een jonge toerist afstevende. De jongen had een zakje snoep tevoorschijn gehaald. Hij wilde het niet weggooien, hij wilde er alleen iets uit halen. Het mocht niet.

Het was alsof we Mussolini waarschuwend tegen het raam hoorden tikken.