Frankrijk verdient een betere generatie politici

Het valt nog niet te voorspellen wie de winnaar wordt van de Franse presidentsverkiezingen die volgend jaar april plaatshebben. Wel is nu al duidelijk dat, wanneer de verwijdering tussen het land en zijn politieke klassen voortduurt, Frankrijk en de democratische zaak de grootste verliezers zullen zijn, meent Dominique Moïsi.

Aan het einde van de jaren tachtig bedacht een aantal analisten, zonder zich bewust te zijn van de naderende ineenstorting van de Sovjet-Unie, de term `wedijver in decadentie' als omschrijving van de zelfmoordwapenwedloop tussen de twee supermachten. Ze waren verwikkeld in een krachtmeting die geen van beide goed deed.

Meer dan tien jaar later zou die term dienst kunnen doen om de gebeurtenissen in Frankrijk te beschrijven nu de leidende politici van dat land zich opmaken voor het begin van de campagne voor de presidentsverkiezingen. Zoals de uitkomst van de wapenwedloop afhing van de vraag welke supermacht de langste adem had, zo zal de uitslag van de presidentsverkiezingen, volgend jaar april, ervan afhangen welke kandidaat het langste weet te overleven. Dat komt doordat de macht van de waarschijnlijk voornaamste kandidaten – Lionel Jospin, de socialistische premier, en Jacques Chirac, de gaullistische president – tanende is. Jospins macht is tanende doordat het minder gaat met de Franse economie. Ook moet hij bijna zijn campagne voeren als een zittend machthebber – met alle problemen die de verdediging van zo'n positie met zich meebrengt. Jospin wordt immers officieel wel de uitdager van Chirac, maar in de praktijk wordt hij gezien als de man die sinds zijn aantreden in 1997 de lakens uitdeelt.

Jospin mag in de opiniepeilingen bedreigd worden door de nabije toekomst, de kansen op herverkiezing van Chirac worden bemoeilijkt door zijn verleden. Hij bevindt zich midden in een schandaal over zijn vermeend gebruik van overheidsgeld ter bekostiging van familiereisjes toen hij burgemeester van Parijs was. Voor Chirac zullen de campagne en de uitkomsten daarvan een ideale test zijn van het Franse `exceptionalisme' – het idee dat Frankrijk in zekere zin uniek is. Als de wereld naar meer transparantie streeft, zouden de Fransen dan onverschillig zijn voor de manier waarop hun leiders naar het buitenland reizen en kennelijk aan vermenging doen van publieke en private functies – misschien ook wel van publieke en private gelden? Die reisjes mogen een onbeduidend uitwasje zijn in vergelijking tot andere, ernstiger politiek-financiële schandalen, maar ze zijn wel tastbaarder en eenvoudig te doorzien.

Sommigen zijn geneigd dit jongste schandaal te zien als het gevolg van de groeiende invloed van Angelsaksische liberaal-democratische waarden. Veel Fransen hechten als republikein evenveel belang aan het begrip gelijkheid als aan het thema vrijheid. Een liberale democratie hecht daarentegen meer belang aan vrijheid en minder aan gelijkheid. Daarmee worden – in vrij gekunstelde termen – de VS en Frankrijk tegenover elkaar gesteld, alsof Frankrijk eigenlijk minder democratisch is dan de VS en de VS minder republikeins zijn dan Frankrijk. Deze discussies mogen niet het zicht benemen op een veel simpeler thema, te weten de gelijkheid van burgers voor de wet. Gelijkheid dient te gelden voor alle burgers, of ze nu de kruidenier op de hoek of toevallig de president zijn.

Het is geen toeval dat de machtsuitholling, het tanende prestige en aanzien van de staat en zijn vertegenwoordigers gelijk op zijn gegaan met de groei van corruptieschandalen. Voor veel Fransen zou de edele doelstelling van een verzoening tussen burger en politiek dan ook tot een nieuwe generatie politici moeten leiden.

De paradox waar Frankrijk mee te maken heeft is dat de machtsuitholling die Jospin treft en de affaires waar Chirac last van heeft, niets afdoen aan de zeer hoge populariteit van de twee belangrijkste kandidaten. Voor de meeste Fransen is hun president warm en vriendelijk; hun premier is bekwaam en bescheiden. Toch klinkt de roep om nieuw bloed. De kiezers verlangen naar een nieuw soort politicus en toch heeft tot dusver geen alternatieve kandidaat – ter linker- of ter rechterzijde van het politieke spectrum – hun kunnen geven wat ze willen. Dat is goed nieuws voor Jospin en Chirac, maar misschien kunnen hun rivalen toch nog gevaarlijk blijken. Vooral de nogal willekeurige meerderheid van Jospin ziet er met de dag breekbaarder uit. Om de verkiezingen te winnen heeft hij niet alleen de steun van het midden nodig, maar ook van de extreme elementen in zijn partij. Hij moet de ene kant paaien zonder de andere van zich te vervreemden.

Dat probleem heeft Chirac niet. De opkomst van extreem-links is in de huidige Franse politiek zelfs een van de belangrijkste politieke factoren. En die zou wel eens net zo in het voordeel van rechts kunnen werken als de opkomst van extreem-rechts ruim tien jaar geleden links van pas kwam. Ondanks al hun verschillen delen Jospin en Chirac een sterk gevoel voor pragmatisme. Ze proberen elkaar te vlug af te zijn door in te spelen op de tijdgeest, of ze daarvoor nu milieuzaken moeten omarmen of de betogers tegen de `globalisering' moeten steunen. Beide leiders volgen eerder de publieke opinie dan dat ze erin voorgaan of een opvoedende rol spelen, een verschijnsel dat zich trouwens tot ver buiten Frankrijk uitstrekt.

Het opportunisme van politici heeft in de Franse politiek geleid tot een opvallend gebrek aan discussie en frisse ideeën. Het land maakt zich op voor eurobiljetten en -munten, een van de belangrijkste gebeurtenissen uit de moderne Europese geschiedenis, en er is niet eens een echt debat over de uiteindelijke doelstellingen en vorm van de Europese Unie. De politiek – zo is het in de meeste westerse democratische samenlevingen – lijkt steeds meer op een soapserie: losstaand van de maatschappij, een wereld die gehoorzaamt aan haar eigen regels, een schouwspel dat zijn kijkers weinig meer brengt dan vermaak en nu en dan gêne.

Gelet op de werkelijkheid van de hedendaagse politiek – waarin niet de kandidaat wint die is gewapend met de meeste frisse ideeën, maar degene die het best de uitholling van zijn macht weet te beperken – is het moeilijk om een winnaar te kiezen. Maar het is al wel duidelijk wie de verliezers zullen zijn. Als de verwijdering tussen het land en zijn politieke klassen onbelemmerd voortduurt, worden Frankrijk en de democratische zaak de grootste verliezers.

Dominique Moïsi is adjunct-directeur van het IFRI, het Frans Instituut voor Internationale Betrekkingen in Parijs en hoofdredactuer van Politique Etrangère.