De wereld een sketch

Wie zelf thuis de ideale televisie-avond bijelkaar wil sprokkelen, heeft een videorecorder nodig. Zaterdagavond wilde ik naar een BBC-documentaire kijken over Douglas Adams, de in mei overleden auteur van The Hitchhiker's Guide to the Galaxy. Maar ik wilde ook – ik kan me echt niet meer herinneren waarom – een door Marcel van Dam geleide discussie over de multiculturele samenleving zien. Dus keek ik uit acute nieuwsgierigheid naar Adams en nam ik Van Dam even op en wat heb ik daar nu een spijt van.

Het gebeurt na je dertiende nog maar zelden dat je iemand in vrijwel alle opzichten een goed mens vindt, of je moet een groot talent voor verliefdheid bezitten. En als het gebeurt betreft het meestal versgestorven bewonderden over wie niets dan goeds wordt geventileerd en over wie je ook niets dan goeds wilt geloven.

Tja, Douglas Adams. Held van mijn puberteit, held tot vér in mijn adolescentie die, zo bleek me zaterdag, nog niet is afgelopen. Zijn cultboeken waren van lakmoespapier: hield je van de Hitchhiker's Guide (en van de andere vier delen van de trilogie), dan deugde je. De cyclus begint met een man die protesteert tegen een nieuw aan te leggen stuk snelweg waarvoor zijn huis moet wijken. Hij wordt voor de bulldozers vandaan getrokken door iemand die weet dat de hele Aarde moet wijken voor een nieuw aan te leggen stuk intergalactaire snelweg. Ford Prefect noemt de van een andere planeet afkomstige redder zich, want dat was een naam die hij op Aarde vaak was tegengekomen – net zoiets als Jan de Vries, zo meende hij.

Douglas Adams zag de wereld als één grote Monty Python-sketch, zei Richard Dawkins in de BBC-docu, ,,but with an affectionate eye''. Adams had wel iets weg van Hitchhikers-hoofdpersoon Arthur Dent, vonden vrienden en collega's: altijd in badjas op zoek naar een kop thee. Maar hij leek ook op robot Marvin, de sombere, wereldvreemde `paranoïde androïde'. En op Ford Prefect, met zijn behoefte alles te onderzoeken. Maar misschien nog het meest, vond men, op de `Captain of the B-Ark' die zijn hele carrière in bad doorbracht. Met eendjes.

Adams kwam uit de documentaire naar voren als een prachtig eerlijke intelligente contemplatieve man. Als hij zegt dat hij de ontstaansgeschiedenis van zijn belangrijkste werk al zó vaak verteld heeft dat hij zich alleen nog zijn eigen verhaal kan herinneren en de echte aanleiding niet meer – ,,I have to take my word for it'' – dan voel ik me wegsmelten als een dame op de Dam in een zonnig Annie M.G. Schmidt-gedicht.

En dan is Adams alleen nog maar open en reflexief. In het boek Last Chance to See beschrijft hij, samen met bioloog Mark Carwardine, op vertederde, melancholieke toon allerlei bijna uitgestorven diersoorten. Zoals een vadsige groene papegaai die niet kan vliegen, maar die dat telkens `vergeet' en zich dan toch als een baksteen uit een boom naar beneden laat vallen. We moeten zorgen dat we de zeldzame Monty Python-achtige verschijnselen op onze wereld behouden, was Adams' boodschap.

De boodschap van de man die in een van zijn boeken een supercomputer opvoerde die Het Antwoord op dé vraag van het leven, het heelal en de rest berekende. Het luidde: `42'. De vraag was niet exact genoeg geformuleerd.

En dus zat ik daar, zaterdagavond, met een videoband vol Marcel van Dam terwijl ik Douglas Adams nóg eens wilde zien. Nog heel vaak eigenlijk. Waarom had ik die documentaire nou niet opgenomen?

Misschien moet ik proberen om wereldberoemd in heel Nederland te worden, zodat ik in Zomergasten de Douglas Adams-docu integraal als fragment kan aanvragen. Ja, ik heb gekeken, trouwens, gisteren. Best mooie beelden zaten erbij. Maar als geheel deed dit veel te veel beschreven, van zichzelf vervulde komkommerinstituut me te weinig.

Maar ja, Mensje en Adriaan zijn dan ook nog lang niet dood. Al zou alle media-aandacht buitenaardse wezens anders doen vermoeden.