Walvisimpasse

Jaarlijks worden er zo'n 1500 walvissen gedood. Van de noordkaper zijn er nog maar 300 over en hun aantal groeit nauwelijks. En in de internationale walvisorganisatie heerst impasse.

Gaat het roer om? Het leek er even op, vorige week. Op de dag dat de walviscommissie, de International Whaling Commission (IWC), haar jaarlijkse vergadering in Londen beëindigde, kwam de BBC met het bericht dat het Wereldnatuurfonds misschien wel bereid was zijn hardnekkige verzet tegen de Noorse en Japanse jacht op de dwergvinvis op te geven. Altijd alleen maar `nee' zeggen heeft niet gewerkt, zei WWF-directeur beleid Gordon Shepherd. Misschien moeten we genuanceerder te werk gaan om erger te voorkomen.

Accepteren dat het onbegonnen werk is Japanners en Noren liefde voor levende walvissen bij te brengen, aanvaarden dat de positieve emoties die zij hebben bij vangst en consumptie niet a priori van minder betekenis zijn dan de negatieve emoties die westerlingen (afgezien van Noren en Denen) ondergaan als ze een walvis, een fellow mammal, zien doodschieten: dat zou een einde kunnen maken aan een impasse die steeds gevaarlijker wordt. Per slot brengt de huidige Japanse en Noorse `oogst' van dwergvinvissen het voortbestaan van de soort niet in gevaar: duizend dwergvinvissen op een geschat totaal van bijna een miljoen geldt niet als overbevissing. Gezonde walvispopulaties kunnen jaarlijks met vele procenten groeien.

Maar het WNF in Zeist neemt na ruggespraak behoedzaam afstand van de suggestie van Shepherd. En bij Greenpeace wil men niet eens horen van een tactische acceptatie van de Noorse en Japanse walvisjacht. Geen sprake van. Campagneleider Geert Drieman: ``Het is net duidelijk geworden dat het bestand aan dwergvinvissen rond de zuidpool jarenlang zwaar is overschat.''

De impasse in kwestie bestaat binnen de vergadering van de IWC. Dat is formeel het uitvoerend orgaan voor de `International convention for the regulation of whaling' van 1946, maar is door omstandigheden gereduceerd tot een forum voor discussie en overleg. In haar huidige samenstelling kan de commissie geen besluiten meer nemen. Na een turbulent verleden bestaat zij uit vertegenwoordigers van een 40-tal landen en daarin houden voor- en tegenstanders van de walvisjacht elkaar secuur in evenwicht. Walvisvarende naties als Noorwegen, Denemarken (Groenland) en vooral Japan wisten zich op meer of minder zuivere wijze te voorzien van de steun van een hele serie eilandstaatjes (zoals Antigua, Dominica, Grenada, St. Lucia, St. Vincent en what have you) en die hebben allemaal één stem. Voor wezenlijke beleidsveranderingen (`schedule amendments') is een meerderheid van 3/4 nodig en die wordt noch door voor- noch door tegenstanders gehaald. De walviscommissie praat maar besluit niet.

VOORTBESTAAN

Al lang voor deze dodelijk impasse ontstond, was duidelijk dat de IWC faalde in het bereiken van het primaire doel van de walvisconventie van 1946: het garanderen van het voortbestaan van alle walvissoorten en herstel van de walvispopulaties, in de conventie steevast met `stock' aangeduid. Veestapel, want het beoogde walvisherstel moest ook het voortbestaan van de walvisindustrie garanderen. De conventie heeft vanaf het begin een pervers dubbeldoel-karakter gehad.

Zo zichtbaar schoten beleid en beheer van de IWC tekort dat in 1979 de Indische Oceaan op initiatief van de Seychellen tot walvisreservaat werd verklaard (de Indian Ocean Sanctuary) en in 1982, alweer op initiatief van de Seychellen, een moratorium op walvisvangst werd ingesteld. Later, in 1994, is daar nog een reservaat rond de zuidpool aan toegevoegd. Maar Noorwegen en Japan wisten zich op legale wijze aan het moratorium te onttrekken. Ook is er vanaf het begin een uitzondering gemaakt voor de traditionele walvisjacht door, onder meer, de eskimo's van Alaska en hun geestverwanten in Siberië die natuurlijk zelf ook enigszins een bedreigde soort zijn. De opbrengst van de `aboriginal subsistence whaling' mag uitsluitend worden gebruikt voor eigen consumptie en ter stilling van eigen culturele behoeften. De eskimo's van Groenland (die hun oeroude tradities vanaf moderne schepen met geavanceerde harpoeneerkanonnen in stand houden) hebben er jaarlijks 170 dwergvinvissen voor nodig, die van Alaska 50 Groenlandse walvissen en die van Siberië de laatste tijd 125 grijze walvissen. Men komt nu handen en voeten tekort om de `aboriginals' uit te leggen dat het wenselijk is de walvissen niet alleen folkloristisch zuiver maar ook zo humaan mogelijk te doden. En om te voorkomen dat allerlei aboriginals die al bijna een eeuw niet meer op walvissen hebben gejaagd (zoals de Makah-indianen uit de staat Washington) ook opeens weer walvissen gaan schieten omdat dat de saamhorigheid versterkt.

Al met al worden er volgens IWC-statistiek (zie de site luna.pos.to/whale) jaarlijks zo'n 1500 walvissen gedood. Daarbij ontvangen de Noren en Japanners altijd de meeste kritiek terwijl de jacht op de Groenlandse walvis bij Alaska de lokale populatie (van ongeveer 7500 dieren) het zwaarst aantast. Maar er is een streng toezicht, weet het WNF.

LAGER RISICO

De vraag hoe goed of hoe slecht het er nu met de dertien `grote walvissen' (zie kader) voor staat is moeilijk te beantwoorden. Het zojuist verschenen WWF-rapport `Whales in the wild', dat de status-beschrijving van de IUCN (International Union for the Conservation of Nature) volgt, noemt vijf soorten `in gevaar' en drie `kwetsbaar' (wat iets minder erg is). Voor de Bryde vinvis ontbreken voldoende gegevens. Slechts vier walvissoorten kregen de geruststellende status `lager risico'. Het betreft de zuidelijke soort noordkaper (`zuidkaper'), de Groenlandse walvis en de twee soorten dwergvinvis. De totale omvang en het waargenomen herstelvermogen van de walvisstand zijn de basis van de indeling.

Het is een aanvechtbare wijze van indelen want er valt over te discussiëren of het doel moet zijn `soorten' dan wel `populaties' te conserveren. Populaties zijn min of meer helder afgebakende, zelfstandige delen van een soort waarbinnen een vrije genetische uitwisseling bestaat. Voor ecologen is de eenheid `populatie' beter te hanteren dan de `soort', die veel abstracter is. Ook natuurbeschermers willen doorgaans niet `de bruine beer' beschermen, maar de populatie bruine beren van de Pyreneeën, de Karpaten of de Abruzzen. (Het uitzetten van Karpatenberen in de Pyreneeën heeft dus iets eigenaardigs.) Onderzoekt men de status van oorspronkelijke walvis-populaties, dan wordt het beeld dat de WWF schetst nog ongunstiger. Veel lokale populaties zijn geheel of nagenoeg geheel verdwenen. De grijze walvis komt in de gehele Atlantische Oceaan niet meer voor. De ooit zo omvangrijke populatie Groenlandse walvissen van Spitsbergen is praktisch uitgeroeid. De grootste groep Groenlandse walvissen leeft tegenwoordig bij Alaska, maar kan de populatie van Spitsbergen niet bereiken.

Van de echte noordkaper (de North Atlantic right whale) die op grond van DNA-onderzoek als een andere soort wordt beschouwd dan de zuidkaper zijn naar schatting nog maar 300 dieren over en het aantal groeit nauwelijks. Er zijn nog maar zó weinig noordkapers dat ze inmiddels allemaal op de foto staan. (Het fotograferen van walvisstaarten en -gezichten, ook door Leidse onderzoekers, is een bruikbaar middel gebleken bij het identificeren van walvissen. Dat laatste is noodzakelijk voor allerlei gedragsstudie en voor het onderzoek van de seizoenstrek van baleinwalvissen. Andere mogelijkheden zijn DNA-fingerprinting aan kleine huidmonsters en gebruik van radiozenders.)

SCHEEPSSCHROEVEN

De noordkapers trekken met de seizoenen vlak langs de Amerikaanse oostkust van noord naar zuid en weer terug en passeren daarbij drukke scheepvaartroutes en visserijgebieden. Veel noordkapers komen in dodelijke aanraking met scheepsschroeven of raken verstrikt in allerlei vistuig waaruit ze zich alleen zwaar gewond weten te bevrijden. Daaraan wordt een deel van het trage herstel van de populatie toegeschreven. Bovendien kan, denken sommigen, de noordkaperpopulatie inteelt-effecten bezitten of last hebben van persistente chemicaliën zoals DDT en PCB's. Laatste mogelijkheid: de dieren hebben hinder van het soort laagfrequente sonar voor opsporing van onderzeeërs waarmee de Amerikaanse marine proeven neemt. Rond de IWC cirkelden vorige week Japans ogende meisjes die blijkens de tekst op hun t-shirtjes (`Killing whales? We don't care we're the US Navy') meenden dat de sonar de schuld was van alle ellende.

Het moratorium zal niet eeuwig van kracht blijven, dat was immers nooit de opzet van de walvisconventie. Bovendien kan elk land dat zich, verbitterd, terugtrekt uit de IWC onmiddellijk ongestraft gaan walvisjagen. De angst is groot dat IJsland en Rusland op korte termijn inderdaad weer aan commerciële walvisvangst beginnen en daarom getroost het wetenschappelijk comité van de IWC zich veel moeite een walvisvriendelijk beheerssysteem te ontwikkelen dat Noorwegen, Japan en die anderen binnen de boot houdt. Om zo een `free for all' te voorkomen.

Een groot probleem is dat het onderzoek aan de populatiedynamica van de weinige overgebleven walvissen niet eenvoudig is. Veel elementaire gegevens ontbreken: vaak is de grootte van de populatie, de verandering daarin en de leeftijdsopbouw nauwelijks bekend. Of is er geen antwoord op de vraag op welke leeftijd de walvisvrouwtjes hun eerste kalf krijgen, om de hoeveel jaar ze weer een nieuw kalf krijgen en hoe lang ze vruchtbaar blijven. Niemand weet eigenlijk met zekerheid hoe oud walvissen kunnen worden. De eskimo's bij Alaska vonden in hun Groenlandse walvissen soms resten van oude harpoenen met stenen of ivoren pijlpunten. Volgens antropologen van het Smithsonian Institution waren die punten 130 tot 200 jaar oud en moesten de geschoten walvissen dus nog ouder zijn. Niemand die het geloofde tot een onderzoeker een methode ontwikkelde om uit de opbouw van de ooglens van de walvis diens leeftijd af te leiden (New Scientist, 18 november 2000). Sommige walvissen hebben misschien Napoleon nog gezien. Of Nelson.

Vooralsnog kan de populatiedynamica weinig steun geven aan het ontwerp van een beheerssysteem, al zal dat gaandeweg beter worden. Het nu gereed staande Revised Management Scheme van de IWC, dat door de wiskundige J.G. Cooke is ontworpen en uitputtend in computermodellen is getest, maakt dan ook geen gebruik van allerlei biologische parameters maar heeft als input alleen nodig: een recente schatting van de omvang van een populatie, een indicatie van de nauwkeurigheid van de schatting en vangstsgegevens over de laatste jaren. Het model, dat door veel veiligheden wordt beperkt, berekent aan de hand daarvan een acceptabel walvis-quotum voor elk nieuw jaar. En wel zo dat het quotum groter is als de betrouwbaarheid van de input hoger is. (Het Japanse populatie-onderzoek aan de dwergvinvissen heeft voor de Japanners dus te zijner tijd sowieso het voordeel dat het tot hoge vangstquota leidt.) Want, daar laat de IWC geen onzekerheid over bestaan, doel is niet alleen bescherming van de walvis maar ook maximalisatie van de oogst, liefst op een zo constant mogelijk niveau. De milieu-organisaties hebben de grootste aarzeling bij het accepteren van het systeem, hoeveel voorzorg daar ook is ingebouwd. Maar komt er geen enkel beheerssysteem, dan wordt dat vroeg of laat het einde van de IWC.