Voetbal is oorlog, politiek nog meer

`Vuile, gewetenloze joden'. `Hongaren met buitenlandse wortels'. `Elitaire joden tegenover de onderdrukte kinderen van de natie'. Net toen Boedapest zich wilde onderdompelen in een lome zomerslaap, brak de hel los. Met een onverbloemd agressief taalgebruik dat velen deed denken aan de jaren dertig denderde extreem-rechts plotseling het politieke toneel op.

Waar het om ging? Om de noodlijdende voetbalclub Ferencváros, de bijna failliete trots van de Hongaarse hoofdstad die door de supporters nog altijd liefkozend Fradi wordt genoemd. De club, die er deze week wéér niet in slaagde internationaal aansluiting te vinden, na in de voorronde van de Champions League na twee keer 0-0 en strafschoppen van het Kroatische Hajduk Split te hebben verloren. De club ook die in 1995 roemloos ten onder ging tegen Ajax toen het publiek de zwarte Amsterdammers trakteerde op wilde apengeluiden en antisemitische spreekkoren. Een gezellige Hongaarse volksclub.

Daarom was het een klap in het gezicht van de `echte Hongaar' dat Fradi plotseling verkocht bleek te zijn aan het machtige fotobedrijf Fotex, dat geleid wordt door ene Gábor Várszegi. De extreem-rechtse Partij voor Gerechtigheid en Leven (MIÉP), in dit land een parlementaire partij (met 5,5 procent van de stemmen bij de laatste verkiezingen), belegde onmiddellijk een persconferentie. Vice-voorzitter Lászlo Bognár mocht het woord doen. Wisten de mensen wel dat Várszegi een gewetenloze joodse zakenman was die ook al eigenaar was van de concurrerende voetbalclub MTK? Bognár sprak ,,namens het volk'' en zei dat ,,Hongaren met een eenvoudige arbeidersachtergrond zich moeten verzetten tegen de zakenmentaliteit van de elite met buitenlandse wortels''. Hij kwam zelfs met sociologische bewijzen dat Fradi `altijd' de club van de gewone man was geweest terwijl MTK de club was van de `joodse elite'. Hij sloot zijn razend betoog af met de opmerking dat de verkoop van Fradi `volksverraad' was.

Dat het bepaald niet ging om een verhit zomerslippertje bleek de volgende dag toen MIÉP-leider István Csurka, het nationale gezicht van extreem-rechts en een politieke factor van belang, herhaalde dat de partij als één man achter de uitspraken van Bognár stond.

De linkse en de liberale oppositie reageerden furieus. Het socialistische parlementslid Magda Kosa, voorzitter van de commissie voor mensenrechten, interpreteerde de uitspraken van extreem-rechts als een poging om ,,de kleine man ervan te overtuigen dat onze joodse landgenoten vijanden zijn''. Zij eist wetgeving om dit soort stemmingmakerij en `haattaal' strafbaar te maken.

Ook de joodse organisaties reageerden verbijsterd. Een achttal organisaties diende onmiddellijk een krachtig protest in. ,,De onverschilligheid van de Hongaarse overheid maakt de weg weer vrij voor nazisme.''

De populist Csurka kon er maar geen genoeg van krijgen. ,,Als maar acht van de tientallen joodse organisaties reageren dan nemen ze het kennelijk nog niet serieus genoeg.''

Het grote wachten was op een krachtig standpunt van de centrum-rechtse Hongaarse regering-Orbán. Een staatssecretaris van Sport had wel iets gemompeld dat de uitlatingen van extreem-rechts aan het adres van de joodse Hongaren niet door de beugel konden, maar de grote politici hielden hun mond.

Toen premier Viktor Orbán na een aantal dagen voor zijn wekelijks radiopraatje verscheen hield hij zich nadrukkelijk op de vlakte. Een beetje lacherig vertelde hij dat hij eerst had gedacht dat de verkoop van Fradi een grap was. Later zei hij dat het om voetbalzaken ging waar de overheid niets mee heeft te maken. Een duidelijke standpunt over de antisemitische uitspraken van extreem-rechts kregen de luisteraars echter niet te horen.

En dat zullen ze tot de verkiezingen van volgend voorjaar ook niet te horen krijgen. In Hongarije is de verkiezingskoorts losgebarsten en alle partijen rechts van het midden zijn op zoek naar de steun van het groeiend aantal extreemrechtse kiezers. Ook premier Orbán, zelf een begenadigd voetballer, hoopt zich van een nieuwe verkiezingstermijn te kunnen verzekeren met de steun van jonge Hongaren die joden, zigeuners en buitenlanders de schuld geven van alles wat er mis is. Dat het door iedereen geliefde Fradi op het punt stond failliet te gaan en voorgoed uit de Hongaarse geschiedenis te verdwijnen is even niet aan de orde. Voetbal is oorlog en politiek nog meer.