Vier kardinale deugden in zeven delen

Getalenteerde jonge wetenschappers krijgen van nwo vijf jaar lang jaarlijks zo'n drie ton om hun `dwarse' ideeën uit te voeren. Zes van hen worden geportretteerd in een zomerserie.

Deel 4: de historicus István Bejczy.

Historicus István Bejczy (35), verbonden aan de sectie Middeleeuwse Geschiedenis van de Katholieke Universiteit Nijmegen, is op weg naar de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. We treffen elkaar in de trein. Terwijl andere reizigers weggedoken zitten in Metro of Spits, vertelt hij: ``In mijn NWO-onderzoek richt ik me op de ontwikkeling van het morele bewustzijn in de Westerse wereld gedurende de Middeleeuwen, dus van 500 tot 1500. Het was een tijd waarin het christendom sterk gericht was op de hemel en argwanend stond tegenover het aardse leven. Hemel en aarde raken elkaar in dit onderzoek. Dat is misschien ook het verband met mijn promotieonderzoek naar twee utopieën, de brief van Pape Jan en de Utopia van Thomas More. Door de vier kardinale deugden rechtvaardigheid, bezonnenheid, moed en matigheid als insteek te nemen, wordt mijn onderzoeksaanpak heel concreet. Historici hebben tot dusver vooral gelet op de negatieve kant van de moraal met zijn zonde en schuldbesef. Er zijn ook theologale deugden: geloof, hoop en liefde. Zij staan vanuit christelijk perspectief boven de kardinale deugden, maar betreffen eerder het spirituele leven.''

Terwijl het Nederlands-Belgische grenslandschap voorbijsuist, pakt Bejczy een plastic zakje met boterhammen uit zijn koffertje. Hij heeft niet alleen een NWO-subsidie gekregen in het kader van `Vernieuwingsimpuls 2000', hij neemt ook deel aan het `Pionier'-programma. ``Moraliteit is voor mij een nieuw thema'', zegt hij. ``NWO-pioniers worden geacht een voortrekkersrol te spelen en de selectieprocedure is veel zwaarder. Ik hoop dat de uiteindelijke publicatie brede belangstelling krijgt in wetenschappelijke kring, ook buiten de landsgrenzen.''

Zijn onderzoek is in zeven onderdelen gesplitst. ``Voor het gehele programma, dat zich uitstrekt over de Westerse wereld ongeveer tot Litouwen en Bosnië, gaan we alleen Latijnse teksten bestuderen. Vier deelprojecten omvatten ieder enkele eeuwen uit de periode 500-1500. Zelf bestudeer ik 1000 tot 1200, omdat het nog relatief onafgegraasd terrein voor me is. De meeste teksten en uitgaven uit die periode zijn in digitale vorm beschikbaar.'' En met een spottend lachje: ``Zodat ik mijn team niet zonder herder hoef achter te laten.''

Het vijfde project betreft de uitgave van een invloedrijk deugdentraktaat uit de dertiende eeuw. Bejczy: ``Er zijn 300 handschriften van bekend, die geclassificeerd moeten worden. Bij het zesde project bekijken we of er in het Nederlandse taalgebied sprake was van een afwijkende morele traditie. Het zevende project gaat over het filosofische, universitaire discours, met commentaar op de ethiek van Aristoteles. Wellicht komt er een achtste project bij, een zijpad over medische ethiek en gezondheidsvoorschriften. Daar studeert een van onze studenten nu op af.''

Hij pakt een getypt lijstje teksten die hij uit een repertorium heeft geselecteerd. ``Ik ga acht handschriften bestuderen voor mijn deelproject en enkele andere voor medewerkers. Daarnaast ga ik drie handschriften bekijken voor een Amerikaanse collega. Als hij naar een bibliotheek gaat, zoekt hij ook dingen voor mij uit.'' De handschriften zijn meestal anoniem geschreven door geestelijken en biechtvaders, het gaat dan om moralistische en didactische traktaten. Vaak bestaan daarvan meer handschriften, verspreid over Europa. ``Omdat er vaak geen vroege drukken of moderne uitgaven op film bestaan, moet ik het handschrift ter plekke lezen en ontcijferen. Hoe ver ik vandaag kom, hangt ervan af of ze klaarliggen. De efficiency verschilt per bibliotheek.''

In Brussel aangekomen lopen we naar de dichtbij het station gelegen Koninklijke Bibliotheek. Het Handschriftenkabinet bestaat uit een ruimte vol kasten met boeken en fiches. Op lange tafels liggen voor grotere boekwerken V-vormige, zachte boekensteunen, bekleed met grijze stof. Berjczy overlegt op fluistertoon met een bibliothecaresse die hij tevoren heeft gebeld. Hij mag per keer maximaal drie boeken opvragen. De handschriften worden bewaard in kartonnen foedralen, bekleed met bruingeel of groenzwart gemarmerd papier en verstevigd met linnen. Bejczy maakt met potlood notities in een schrift. ``Je mag hier niet met ballpoint werken, dat zou blijvende inktvlekken kunnen geven.''

Tussen de middag. In een cafeetje achter de Grote Markt vertelt Bejczy hoe de kardinale deugden zich hebben ontwikkeld. ``Vanaf 1200 wordt het deugdenstelsel filosofisch systematischer doordacht. De filosofische traditie verandert op allerlei terreinen, de eerste universiteiten ontstaan en het werk van Aristoteles wordt na vertaling bekend. Door zijn invloedrijke, wereldlijke normenstelsel moest de christelijke ethiek opnieuw worden overdacht. De vijftiende eeuw, de Renaissance, wordt vaak gezien als een beweging van carpe diem, omhelzing van het leven, je niet te veel gelegen laten liggen aan godsdienst. Er zou een moraal ontwikkeld zijn op basis van seculiere klassieke teksten, die meer bij de stadsbevolking aansloot. Ik geloof dat niet. Je zou dat moeten terugvinden bij de behandeling van de kardinale deugden destijds. Zo niet, dan kun je de hypothese afschrijven dat de Renaissance iets te maken had met secularisering. Daarna zijn de kardinale deugden langzaam in onbruik geraakt, zoals ethiek in het algemeen.''

Veertien dagen later. In Bejczy's kamer op de tiende verdieping van de Nijmeegse universiteit staan een boekenkast met enkele woordenboeken en vrijwel lege werktafels. ``Ik ben kortgeleden hier naar toe verhuisd. Aan deze gang worden ook mijn medewerkers gehuisvest.'' Voor zijn onderzoek gaat hij samenwerken met vier postdoc- en twee AIO-medewerkers. ``Als ik me tot Nederland had moeten beperken, was het moeilijk zoeken geweest. Het talent is niet zo dik gezaaid en er is niet zoveel belangstelling voor dit type onderzoek. Mensen moeten Latijn kennen en niet alleen zitvlees en doorzettingsvermogen hebben, maar ook grote hoeveelheden tekst in relatief korte tijd kunnen behappen. En dat moeten ze ook de verbeeldingskracht bezitten om oud, weerbarstig materiaal te plooien naar de vragen die we uit het onderzoeksprogramma stellen.''

De eerste medewerkster die Bejczy heeft aangenomen is historica Jasmijn Bovendeert. Ze richt zich sinds februari op de Vroege Middeleeuwen (500-1000). ``Toen ik over dit programma hoorde, was ik meteen geïnteresseerd'', zegt ze. ``Ik houd erg van mentaliteitsgeschiedenis. Je neemt een kijkje in de gedachtenwereld van mensen. Ik ben nu bezig met de vorstenspiegels, waarin geestelijken vorsten als Karel de Grote proberen te doordringen van het belang van een christelijke levenswijze en van een christelijk koningschap. Daarnaast ga ik me verdiepen in exegetische werken, heiligenlevens en boeteboeken.''

Bejczy, gevraagd naar het nut van zijn onderzoek: ``Ons morele besef is gevormd in het kader van het christendom. Deugden zijn nu geen expliciete begrippen meer in opvoeding en literatuur, maar werken wel door in de samenleving. Ik hoop dat de voorgeschiedenis van ons morele bewustzijn tot reflectie op het huidige morele besef leidt.'' En op de vraag naar het vernieuwende van zijn onderzoek: ``Niemand heeft nog het morele bewustzijn voor de gehele Middeleeuwen bestudeerd, ook omdat men niet goed weet waar te beginnen. Er zijn aanzetten geweest in de jaren vijftig en zestig, maar die hebben de hippietijd niet overleefd. Deugden kregen een bijsmaak van burgertruttigheid. Ik denk dat het project door NWO is gehonoreerd, omdat het groots genoeg is om het spannend te maken en concreet genoeg om uitvoerbaar te zijn.''

Bejczy was na zijn studie middeleeuwse geschiedenis een jaar als onderzoeker bij de faculteit wijsbegeerte in dienst, promoveerde en kreeg van NWO een beurs om een jaar in Toronto door te brengen. Na twee postdoc-aanstellingen, kwam dit onderzoek op gang. ``Bij mij heeft altijd al het idee geleefd dat alles wat een verleden heeft, mooi en fascinerend is. Ik ben begonnen met een studie rechten. Dat heeft wel mooie kanten, maar ik kon er mijn verbeelding niet in kwijt. Geschiedenis is er pas in tweede instantie bijgekomen. Op het morele bewustzijn kwam ik, toen ik nadacht over een onderwerp dat groepsgewijs onderzocht kon worden en ik aan eerstejaars wilde overdragen hoe mensen in vroeger tijden anders waren. Normen en waarden leken me vruchtbaar als uitgangspunt.''

Zijn vrouw is Française, hijzelf heeft een Hongaarse oorsprong. Zijn vader ging op zijn zestiende, na de opstand van 1956 in Hongarije, naar Oostenrijk en later naar Nederland. ``Ik spreek geen Hongaars en identificeer me ook niet erg met dat land, maar ik zie mezelf ook niet als een zuiver Hollandse jongen. Ik ben niet voor niets op utopieën gepromoveerd en dan gaat het om werelden die elke geografische begrenzing te boven gaan.''