THE TANGIER WAY OF LIFE

De Amerikaanse schrijver Paul Bowles trok tot aan zijn dood westerlingen naar Tanger. Ze zagen in hem de romantische outlaw die zich permanent gevestigd had in een exotisch paradijs. Van dat Tanger is niet veel meer over. De meeste Marokkanen willen er zo snel mogelijk weg.

'Wat is het verschil tussen et en een Marokkaan in Europa?' Fayssal begint alvast te lachen. Met half dichtgeknepen ogen kijkt hij uit over het Merkala-strand. Bruin zand, kale rotsen, magere schapen die vergeefs naar een plukje gras zoeken. Flarden muziek van een Arabische zender.

'Home', zeg ik, 'et wil naar huis.'

Fayssals lach glijdt van zijn gezicht.

'Hé, je kent hem al.'

Ik ken hem niet, maar elke dag kom ik ze in de stad tegen, Marokkanen die met me mee willen. Naar Europa. Ze slenteren langs de boulevards van Tanger, zitten achter glazen mintthee op de terrassen, roken kif (Marokkaanse hasj) op het pleintje Petit Socco. Ze staren naar de televisie die in elk café aan staat. Zwijgend kijken ze naar de actrice Melanie Griffith, een wezen uit een andere wereld. Jongens met sloffen Marlboro's onder de arm en pakken Tempo-zakdoekjes stropen de terrassen af. De sigaretten bieden ze per stuk te koop aan, de zakdoekjes per tien.

Op de Boulevard Pasteur, de slagader van de nieuwe stad, staat een tandeloze man elke dag op dezelfde plek met een ton vol pinda's. De pindaverkoper vouwt van lapjes krant puntzakjes die hij met nootjes vult en voor een dirham verkoopt. Als een slungelige jongen een zakje van hem koopt, de inhoud er uitschudt, en zijn hand scheldend ophoudt, legt de man er met een zwierige zwaai twee pinda's bij. Hij trekt er een gezicht bij alsof zich zojuist een daad van gerechtigheid heeft voltrokken.

Hordes mensen trekken aan de pindaverkoper voorbij. Ze zijn gekleed in Levi's-spijkerbroeken, Nikes en ze hebben een gsm op zak of lopen in enkellange djellaba's met hoofddoeken om. Sommigen kunnen lezen noch schrijven, anderen gaan chatten in een van de cybercafés in de nieuwe stad. Bij de poort van de oude stad hangen mannen rond die zich laten inhuren. Ze hebben een emmer witkalk met een kwast bij zich of een ton cement en een troffel of loden pijpen en een waterpomptang. Elke dag komen er mensen uit andere delen van Marokko en Afrika bij die ook geen vaste bron van inkomen hebben. Ze komen hun geluk in Tanger zoeken of denken hier de sprong naar Europa te wagen.

Als Fayssal 's ochtends wakker wordt, bedenkt hij wat hij die dag zal gaan doen. Meestal kan hij niets verzinnen. Dan loopt hij van de wijk Dradeb, waar hij woont met zijn moeder en zijn zus, naar de binnenstad. Hij duikt onder in het leger slenteraars en cirkelt door de stegen van de Medina, de oude stad, en langs de boulevards van de nieuwe stad, in de hoop dat zijn lot een nieuwe wending zal nemen.

Het terras van Café Hafa is ver boven de zee uit de rotsen gehakt. Op verschillende niveaus zijn kleine plateaus gevormd met bomen en bloeiende struiken en vlinders die van bloem tot bloem fladderen. De geur van bloemetjes, mintthee en kif hangt boven de tafeltjes waaraan mannen zachtjes zitten te praten. Twee jongens van twaalf die zo nu en dan een woord Spaans of Frans tot me richtten, zijn met me meegelopen door de Medina. Nu zitten ze zwijgend achter een flesje Fanta met een rietje. Ver beneden het terras klotst het water van de Straat van Gibraltar tegen de rotsen.

De Amerikaanse schrijver en componist Paul Bowles zat hier vaak. In november 1999 blies hij in Tanger zijn laatste adem uit. Nu ligt zijn as in New York. Toen Bowles hier in 1931 voor het eerst kwam, omschreef hij Tanger als een droomstad waar de straten overdekt zijn als gangen en waar donkere stegen op niets uitlopen.

Voordat de Amerikaanse schrijver zich in 1947 voorgoed in Tanger vestigde, zwierf hij met zijn vrouw Jane door Mexico, Zuid-Amerika en Noord-Afrika. Hij had een afkeer van zijn geboortestad New York, waar volgens hem iedereen hetzelfde wilde zijn als zijn buurman. In Tanger was hij Amerikaan onder de Marokkanen, een ongelovige onder de gelovigen, een westerling tussen Noord-Afrikanen.

De mooiste verhalen van Paul Bowles zijn de verhalen waarin westerlingen de weg kwijtraken in een niet-westers land. In The Sheltering Sky bezwijkt de hoofdpersoon Port in de Sahara aan de tyfus, waarna zijn vrouw Kit gek wordt te midden van een Berberstam. In de boeken die in Noord-Afrika spelen is de kloof tussen moslims en de westerlingen, de Nazareners, onoverbrugbaar. Bowles' verhalen bestaan uit aaneengeregen scènes van tijdelijkheid:het zijn korte momenten dat het ene voorbij is, en het andere nog niet begonnen. Ze spelen zich af in ranzige hotelkamers, achterafcafeetjes, dubieuze bars, langs de weg, op stations: plekken waar toeval, meer dan traditie, bepaalt hoe mensen met elkaar omgaan.

Als de zon te fel wordt, gebaar ik de jongens dat we in de schaduw moeten gaan zitten. Ze beginnen aan de tafel te sjorren, maar krijgen hem niet van zijn plek. Een man van een jaar of dertig, met een bril die bijeengehouden wordt door een plakbandje, zet de tafel met een zwaai onder een boom. Dan haalt hij de stoelen ook en schuift hij aan. Fayssal zegt dat hij ooit op het punt stond te trouwen met een Australisch meisje. Hij zou in Australië gaan wonen maar zijn oudere broers waren er tegen. Het huwelijk ging niet door.

Ik vraag of hij Mohamed Choukri kent, de schrijver van Le Pain Nu, het boek dat Bowles vertaalde als For Bread Alone. Het verhaal gaat over Choukri zelf: hoe hij als kleine jongen met zijn berooide Berberse familie uit het Rifgebergte naar Tanger trok, op zoek naar eten, werk en geld. Op een dag sloeg zijn vader, die zijn vrouw en kinderen terroriseerde, zijn broertje dood en Choukri liep weg van huis. Hij hield zichzelf op straat in leven met diefstalletjes, sigarettensmokkel en kif, en stortte zich in de prostitutie.

Tanger lag in die tijd in de Internationale Zone, waar een groep westerse landen een liberaal bewind voerde. 'Een van de charmes van de Internationale Zone was dat je alles kon krijgen, als je er maar voor betaalde. Je kon doen waar je zin in had, er waren geen onomkoopbare mensen. Het was slechts een kwestie van prijs', schrijft Paul Bowles in zijn roman Let it come down, die zich afspeelt in het Tanger van begin jaren vijftig.

Pas na de onafhankelijkheid in 1956, als de stad weer onder Marokkaans bestuur valt, besluit Choukri zijn straatleven op te geven en te leren lezen en schrijven. Hij is dan 21. In de inleiding van For Bread Alone schrijft Bowles dat Choukri het geluk heeft gehad als ongeletterde de zelfkant van het leven geproefd te hebben, als het brein nog niet is verpest door onderwijs en het geheugen is getraind om te onthouden. Pas daarna leerde hij schrijven, maar daarvoor heeft hij dan ook een hoge prijs moeten betalen.

'Choukri is een belangrijke Marokkaanse schrijver', zegt Fayssal. 'Maar zijn boeken worden op de scholen en universiteiten niet gelezen. Le pain Nu gaat over de misère, prostitutie en de armoede in Tanger, en de regering wil niet dat daarover wordt gesproken. Prostitutie bestaat nog steeds maar wordt niet meer openlijk bedreven. Destijds deden de pensions dienst als bordelen.'

Het is donker in de nieuwe stad. De deur van bar Negrisco, op een hoek van Rue de Mexique, staat open. Mohamed Choukri zit aan een tafeltje bij het raam, alleen, achter een limonadeglas whisky.

De Marokkaanse schrijver zegt dat hij met Bowles, vlak voor zijn dood, nog heeft gesproken over zijn boek Le Reclus de Tanger. Hierin schrijft Choukri over de scheiding tussen de oorspronkelijke bewoners, de Tangerois, en de Tangerenes, de westerlingen die zich in de stad vestigden.

'Tanger', zegt Choukri, 'was tot 1956 een gekoloniseerde, kosmopolitische stad met veel vrijheid. Een waar paradijs. Maar voor wie? Voor mij in ieder geval niet. Wel voor de buitenlanders die hier woonden en voor de rijke Marokkanen, die collaboreerden met de kolonisten. Maar er was ook een Tanger van de miserabelen. Ik woonde in dat arme Tanger.'

Choukri beschrijft Paul Bowles in De kluizenaar van Tanger als een 'Sfinx, die gezeteld in deze stad de steun en toeverlaat was voor Amerikaanse schrijvers en andere buitenlanders, hun referentiepunt voor heel Marokko'. In zijn kielzog kwamen de schrijvers van de Beat Generation naar Tanger, William Burroughs, Allen Ginsberg, Jack Kerouac, sommigen bleven kort, anderen maandenlang. Choukri vraagt zich af waarom alle buitenlandse schrijvers de stad na een tijdje weer verlieten en waarom Bowles tot aan zijn dood is gebleven. 'Het moet zijn nostalgie zijn geweest. Hij wilde blijven leven zoals hij in de jaren dertig en veertig had geleefd.'

Later kwamen de hippies naar Tanger, die helemaal geen schrijvers waren, maar die gehoord hadden dat je overal kif kon roken. 'Misschien is het voor de westerlingen een gemis dat Paul Bowles er niet meer is', zegt Choukri, 'maar voor de Tangerois maakt het niet uit. Zij hebben altijd al in die mythe gewoond, maar ze wisten het niet. Het waren de buitenlanders die haar schoonheid ontdekten.'

Het was de schoonheid van de eeuwenoude kasbah, de stegen van de Medina, de stranden en de zee, de rotsen, de bomen, krekels en vogels, de stilte, de geuren van kruiden en mint, de oproep van de muezzin voor het gebed, de geheimzinnige Ander die vijf maal per dag het hoofd naar Mekka richtte. 'De klaagzangen van westerlingen, die beweren dat Tanger dat allemaal kwijt is geraakt, zijn absurd. Zij zoeken de mythische stad van de Internationale Zone, en bekommeren zich niet om haar mysteries en geheime geografie.'

Choukri neemt de laatste slok van zijn whisky. 'Kom', zegt hij, 'ik wil je een fenomeen laten zien.' Hij staat wankel op en trekt me mee naar buiten. Door de halfschemer van de stadsnacht zoekt hij zijn weg tussen de slenterende figuren op de trottoirs. Uit half openstaande deuren van nachtclubs zweeft Arabische discomuziek de straat op. Op de Boulevard Pasteur rijdt een niet aflatende stroom vrachtwagens, auto's en kleine taxi's. Choukri zigzagt onvast de straat over, steekt zijn hand op tegen auto's die op het punt staan hem omver te rijden. 'Je déteste la vie ordinaire, la vie banale', mompelt hij meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders. Auto's toeteren. Mensen op de trottoirs draaien hun hoofd naar hem om, steken hun hand naar hem uit: Choukri, ça va?

Op Rue de Fes stapt Choukri een helverlichte kruidenierszaak binnen. De achterwand van de winkel is een wijnrek. Choukri loopt op de wijn af en wijst naar een aangebroken fles Cabernet en een plastic bekertje. 'Voilà', zegt hij triomfantelijk. Hij schenkt het plastic bekertje vol. 'Dit is mijn kantoor', zegt hij, 'en dit', hij wijst op de uitbater, 'is niet zomaar een kruidenier, dit is de beschermheer van schrijvers en kunstenaars.'

Op het balkon van Pension Fuentes aan het pleintje Petit Socco zijn alle stoelen bezet. De terrassen zitten vol en de cafés ook. Café Central is 24 uur per dag open. 's Nachts zitten zwervers voorovergebogen aan de tafel te slapen, kinderen soms nog, lijmsnuivertjes. 'Ze worden het huis uitgeschopt door hun vader, als er een nieuwe baby bijkomt', zegt Fayssal. 'Voor een jongen van twaalf, dertien zal Allah wel zorgen, maar een zuigeling heeft nog eten en bescherming nodig.' Ze leven het straatleven dat Choukri vroeger leidde. 'Maar wel met een verschil', merkt Choukri op: 'Toen ik jong was, zochten we naar brood, de huidige generatie jongeren zoekt naar drugs. Wij hadden kif. Vandaag de dag is het cocaïne, heroïne en solutie.'

In de stegen van de Medina, langs de boulevards van de nieuwe stad, altijd zijn er de jongens en mannen die een reeks vragen op mij afvuren die begint met waar kom je vandaan en soms eindigt met wat is je e-mailadres? 'De jongens op straat dromen', zegt Fayssal, 'ze denken: als ik de tas van die nassrania kan pakken, wie weet wat ik vind. Misschien kan ik dan een hoer van 200 dirham nemen in plaats van een van 100 dirham. Of misschien zit er zoveel geld in de tas dat ik een handeltje kan beginnen.'

In de zaal van Pension Fuentes staan alle stoelen dezelfde kant op, als in een bioscoop. De mannen op de stoelen - vrouwen laten zich hier niet zien - kijken naar een groot beeldscherm. Barcelona - Real Madrid. 'Dit', zegt Fayssal, 'was vroeger de zaal waar je een hoer uitkoos. Daarna nam je haar mee naar een van de kamertjes.'

Hij loopt voor me uit, trapje af, een lange gang door met een heleboel deuren. Hij probeert een van de deuren. Op slot. 'Nou ja, nu slapen er voornamelijk illegale immigranten. Ze zijn uit Afrika op doorreis naar Europa.'

's Avonds is er een feestje bij boekhandel Librairie des Colonnes op de Boulevard Pasteur. Tussen de schappen staan groepjes mensen met een glas wijn in de hand. Op de kast met boeken van Paul Bowles staat een dienblad met zoete koekjes. In een hoek, kaarsrecht in een plastic tuinstoel, zit Mohamed Choukri. Hij glimlacht permanent, knikt links en rechts mensen toe en signeert boeken.

Driss Chraibi, een Marokkaanse schrijver die in Parijs woont en Franstalige boeken schrijft, is gekomen om de verkoop van zijn nieuwe boek te bevorderen.'Hij is slechts op bezoek', zegt Choukri. 'We hebben in Tanger geen schrijvers meer, behalve ik. De literaire scene bestaat momenteel uit mij. C'est moi. Mohamed Choukri. De groten zijn dood. Voordat Paul en Jane Bowles, Truman Capote en William Burroughs hierheen kwamen, hadden we geen schrijvers in Tanger.'

In Librairie des Colonnes liggen ook de Engelstalige boeken van Mohammed Mrabet. 'Mrabet is een verhalenverteller', snuift Choukri. 'Hij is geen schrijver. Zijn boeken zijn heel belangrijk, etnologisch en antropologisch gezien, maar hij is geen schepper. Het zijn herhalingen van oude vertellingen. Marokkanen kijken er niet van op, maar voor westerlingen zijn het verrassende verhalen.'

Mohammed Mrabet lijkt nog steeds op het portret uit zijn autobiografie Look and Move On. Hij is alleen ouder en magerder geworden. Zijn vrouw Zhora ligt in het ziekenhuis. Hij kookt soep voor haar en brengt elke dag een pannetje naar het ziekenhuis. 'Ik ben een moslim', zegt Mrabet, 'ik ben blij met mijn leven zoals het is. Ik ben gezegend, omdat ik grootvader ben - thanks to Allah.' Zijn woonkamer is omzoomd met Berberse banken en een éénpersoonsmatras. Op de grond liggen een leesbril, papier, viltstiften, een half voltooide tekening, een cassetterecorder, een kifpijp en een jampotje met kif. Hier werkt de schrijver. Mrabet kan niet lezen en schrijven. Zijn boeken sprak hij in op de bandrecorder, en Paul Bowles vertaalde het gesproken Moghrebi in het Engels. Hij leerde wat Engels van Amerikanen in Tanger, onder wie Paul Bowles, met wie hij reizen naar de Verenigde Staten maakte. Nu werkt hij al jaren aan een boek over Paul en Jane Bowles. 'De titel is Mr. Hedgehog. Ik zei altijd tegen Paul: hi hedgehog, ha egel! Hij heeft nooit van iemand gehouden. Ik zag Paul een keer in de spiegel kijken, grrrh, hij spoog tegen zijn spiegelbeeld. Paul, wat is er met je? Grrrh. Het komt allemaal in mijn boek.'

'Ik heb Paul gezien toen hij niet meer kon zien of praten, en niet meer kon bewegen. Hij lag in bed. Ik had hem een hele tijd niet gezien. Op een gegeven moment werd ik erg ziek. Ze brachten me naar het ziekenhuis. Twee of drie maanden kon ik me niet bewegen. Toen zei ik tegen mijn vrouw: please, ik wil Paul zien. Maar je bent zo ziek. Breng me naar hem toe. Met een taxi naar Paul. Paul lag in bed. Ha, Paul. Mrabet! Ja, Mrabet. Oooh. De mensen zeggen me dat je erg ziek bent. Ik ben oké nu. En jij? Ik lig in bed.'

Toen Mrabet een jongen was, schooierde hij rond op Petit Socco. In de tijd van de Internationale Zone schonken de cafés bier en wijn, westerlingen dronken met Marokkanen. Nu kun je alleen koffie, cola en mintthee krijgen. Mrabet komt nooit meer in de Medina. 'Vroeger zat ik altijd in de cafés. Er was nog geen televisie, wel radio, maar niemand zette die aan. Er zaten alleen maar oude mannen die elkaar verhalen vertelden. Nu zijn ze allemaal dood. Alleen Mrabet bestaat nog. Een verhalenverteller.'

Paul Bowles woonde de laatste decennia van zijn leven in Immeuble Itesa, in de nieuwe stad. Onderin het gebouw is het winkeltje waar zijn helper Abdelouahaid levensmiddelen voor hem kocht. Vier jaar geleden was ik hier voor het eerst. Paul Bowles lag toen al de hele dag in bed. Hij zag er broos uit en zei: 'Ik ben 85 en dat is geloof ik niet echt jong.'

Hij kwam al jaren niet meer in de Medina. Hij zei dat The Tangier way of life na de onafhankelijkheid begon te verdwijnen, 'zoals overal ter wereld'. 'Het leven is nu veel slechter', zei hij. 'De mensen willen geen Marokkanen zijn. Ze zien zichzelf niet als Noord-Afrikanen maar als Europeanen. Maar de levensstandaard hier is natuurlijk niet Europees.'

Uit de schaduw van Immeuble Itesa maakt zich een figuur los, een jongen met bruine tanden en een paarsgetinte zonnebril. Hij zegt dat Abdelouahaid zich hier nooit meer laat zien, maar dat hij me wel naar hem toe kan brengen. Hij manoeuvreert zijn roestige Volkswagen langs de gaten in de weg; de buitenwijken van Tanger bestaan uit betonblokken en asfalt dat van ellende uit elkaar valt.

'Paul is 's morgens om half twaalf in Hospital Italiano overleden', vertelt Abdelouahaid. Hij zit met opgetrokken knieën op een van de banken in zijn woonkamer. 'De werkster en ik waren bij hem. We dachten dat hij heengegaan was. Toen opende hij plotseling zijn ogen, hij keek ons aan en zei: amigos de mi casa. Mijn huisvrienden. Toen sloot hij zijn ogen, en stierf.'

Abdelouahaid staat op en verdwijnt naar een ander vertrek. Even later komt hij terug met een lederen buidel die hij vasthoudt alsof het een ziek vogeltje is. 'Hierin bewaarde Paul zijn kif.' In het testament stond dat Abdelouahaid alles in het appartement mocht hebben, op de boeken en de muziek na. De Guatamalteekse schrijver Rodrigo Rey Rosa erfde de literaire rechten; de Amerikaanse muzikante Irene Herman de rechten op zijn muziek. Abdelouahaid spreekt halve zinnen Engels en Frans maar op het laatst alleen nog maar Moghrebi. Als we weer buiten staan, verklaart de jongen met de paarsgetinte zonnebril: 'Hij zei dat ik het niet nog een keer in mijn hoofd moest halen om een nassrania naar zijn huis te brengen.'

Merkala is het strand van de armen. Een rioolpijp van twee meter doorsnede komt hier uit in zee. Tien meter zee-inwaarts heeft het water een grijsgroene kleur, daarna strekt het zich blauw uit tot aan Gibraltar. 'Voordat mijn slagader verstopt raakte, kwam ik hier haast iedere dag, de kust volgend, klimmend over de zwerfkeien, springend van de ene naar de andere. Het was mijn favoriete bezigheid. Nu kan ik haast niet langs de kustlijn lopen, zelfs niet als iemand me trekt en duwt. Zinloos om te doen alsof tijd geen verschil maakt', schrijft Paul Bowles op 20 juni 1989 in zijn dagboek. Hij is dan 78.

Langs de rotswand hebben mensen kleine cafeetjes gebouwd van bamboe, roestende golfplaten en wrakhout. Voor het eerste hutje staat een gedrongen man op de uitkijk. Hij heeft een gelooide huid, een kort zwart baardje en een buil met geronnen bloed op zijn voorhoofd. Fayssal fluistert dat hij die man kent, Ahmed, dat hij altijd al maf was, maar dat zijn gekte de laatste tijd een religieuze wending heeft genomen. Hij valt 's avonds, luid Allah Akhbar roepend, cafés binnen.

Ahmed steekt zijn hand onder zijn blouse. Hij trekt een mapje te voorschijn, dat hij onder mijn neus duwt. 'Dit mijn leven', gromt hij in gebroken Engels. In het mapje zit een jongere versie van de woesteling op een trouwfoto, en nog een, en nog een. 'Drie vrouwen', zegt Ahmed met dichtgeknepen ogen. 'Allemaal kaput.' Op de volgende foto is Ahmed een acrobaat op een pleintje in Brussel. Ahmed breed lachend bij een lichtblauwe Mercedes. Ahmed bij de Mercedes die total loss is gereden. 'Kaput.' Ahmed grist zijn fotomapje uit mijn handen. Hij stelt zich op voor Fayssal en begint Arabisch te spreken. Plotseling draait Ahmed zich om en verdwijnt in zijn hutje. 'Kom, we gaan', zeg ik tegen Fayssal, maar Fayssal wil wachten.

Als Ahmed weer naar buiten komt, draagt hij een zwarte bivakmuts. In zijn linkerhand heeft hij een bidkleedje en in zijn rechterhand een kapmes. Het lemmet glimt in de zon. Dit lijkt haast te veel op een verhaal van Paul Bowles om werkelijkheid te zijn. Een westerling die met een gek geworden moslim aan een exotische kust is beland en daar aan haar einde komt. In de verte lopen twee oude mannen in bruine djellaba's, verder is het strand verlaten. Bruin zand, kale rotsen, magere schapen die vergeefs naar een plukje gras zoeken. Flarden muziek van een Arabische zender. Dan zegt Fayssal ongeduldig: 'Je moet een foto van hem maken.'

Op de terugweg naar de stad zegt hij, om me gerust te stellen, dat iedereen op Merkala een mes heeft. 'Om zich te beschermen.'

Uren later, als we op een taxi staan te wachten, zegt Fayssal dat hij geld aan het sparen is om naar het zuiden te trekken, naar Ouarzazate. Westerse cameraploegen komen daar geregeld om de Sahara te filmen. Ze zijn altijd op zoek naar figuranten. 'En misschien hebben ze vertalers nodig. Wie weet word ik rijk, en dan kom ik naar Europa. Dan sta ik op een dag bij je op de stoep.' Hij vraagt of ik een nieuw brilmontuur naar hem op wil sturen, een Europees model, dat in Tanger niet te krijgen is. Dan draait hij zich om, en verdwijnt in de steile straat die naar de Medina leidt. M

Annerieke Goudappel is freelance medewerker van NRC Handelsblad.

[streamliners] Het was de schoonheid van de eeuwenoude kasbah, de stegen van de Medina, de stranden en de zee, de rotsen en de krekels

Langs de rotswand zijn cafeetjes gebouwd van bamboe en wrakhout