Stress-stoornis bij Singh Varma is ongeloofwaardig

Het ex-Kamerlid Singh Varma lijdt, zo heeft haar advocaat bekendgemaakt, aan een posttraumatische stress-stoornis. Daaruit moeten wij kennelijk concluderen dat het dus geen pseudologia fantastica (pathologische leugenachtigheid) was die haar een dodelijke tumor deed voorwenden, geen hysterie die haar kwalen veroorzaakte, geen megalomanie of bipolaire stoornis die haar wijd en zijd grote sommen gelds deed beloven, geen Münchausensyndroom waardoor zij een onstilbare behoefte had aan aandacht, eretekenen en gesprekken over haar komende dood.

Als het publiek maken van de psychiatrische diagnose PTSS is bedoeld om Varma's gedragingen te verklaren en zodoende het gespeculeer over haar toestand te stoppen, is dit een ongelukkige stap. Want ten eerste is PTSS een omstreden `ziekte', die bovendien andere aandoeningen niet uitsluit, ten tweede is het ongeloofwaardig dat Varma juist daaraan zou lijden.

PTSS werd in 1980 opgenomen in het psychiatrische classificatiesysteem DSM. Dat was mede het resultaat van een lobby door Vietnamveteranen en hun behandelaars. Al sinds de Eerste Wereldoorlog was bekend dat soldaten aan een oorlog soms ernstige aandoeningen overhouden zonder aanwijsbare fysieke oorzaak. De symptomen van zo'n soldier's heart, shell shock of combat fatigue kunnen vaag zijn (angsten, depressie) of specifiek (mutisme, verlammingen); Vietnamveteranen zijn vaak verslaafd.

Het vastleggen van het inzicht dat schokkende ervaringen langdurige of late schade kunnen aanrichten, was winst. Het verminderde de schaamte van patiënten en hielp tegen blinde vlekken bij behandelaars.

Toch kan het het ijveren voor opname van al die uiteenlopende klachten als een objectieve `ziekte' PTSS in de officiële ziektenlijst achteraf worden geïnterpreteerd als een vroeg voorbeeld van slachtofferpolitiek. Hier werd (naast financiële genoegdoening) de erkenning geëist dat de problemen dan wel `psychisch' waren maar niet `in' de persoon zelf zaten. Geen moeilijke jeugd, huwelijksproblemen of karakterzwakte, maar een `externe stressor' was de oorzaak. In Nederland vervulde PTSS sinds eind jaren tachtig in de even late als brede erkenning van het oorlogstrauma een soortgelijke functie.

Maar een ziekte, zoals kanker en influenza ziektes zijn, is PTSS niet. Op internet ontbrandde kortgeleden een debat nadat in het British Medical Journal zelfs was verkondigd dat `PTSS niet bestaat'. Patiënten brachten hun symptomen in stelling, behandelaars nodigden de auteur uit maar eens in hun spreekkamer te komen kijken. En inderdaad: het concept PTSS mag dan een `sociale constructie' zijn, een afspraak om een groep uiteenlopende symptomen te ordenen, getraumatiseerde mensen met ernstige klachten die behandeling behoeven, bestaan natuurlijk wel.

De criteria voor een diagnose PTSS zijn voortdurende herbelevingen van de gebeurtenis (zoals nachtmerries); aanhoudende vermijding van bij het trauma behorende prikkels (geen tv aan als er Duits te horen kan zijn) of algehele afstomping; en een aanhoudende verhoogde prikkelbaarheid, met bijvoorbeeld slapeloosheid als gevolg. Het verzinnen van terminale borstkanker valt hier dus evenmin onder als valse beloften over financiële steun. Verder is een aanwijsbaar `trauma' vereist. Daarbij denken we meest aan verkrachting of confrontatie met de dood, maar onproblematisch is dit niet, want in de beleving van een `trauma' spelen subjectieve (persoonlijke en sociaal-culturele) factoren een grote rol. Wat voor de één in bepaalde omstandigheden een ondraaglijke schok of spanning is, doorstaat een ander redelijk goed.

Sinds de introductie van PTSS is het begrip trauma voortdurend opgerekt en daarmee getrivialiseerd. Van Auschwitz tot en met de quasi-watersnood van 1995, toen een team van `psychotraumatologen' de geëvacueerden bijstond in de verwerking van het trauma van een ontdooide vrieskist; ook hulpverleners zelf noemen zich tegenwoordig (`secundair') getraumatiseerd.

Maar Varma's in de persverklaring aangevoerde ervaringen, zoals het `in de steek laten van haar kiezers', vormen geen traumata in de zin der PTSS. De ernst van de geclaimde aanslagen en bedreigingen door extreem-rechts wordt alom gerelativeerd. En als we haar reddersfantasieën al niet malicieus opvatten als een poging tot een eervolle (want nobele) aftocht, wijzen ze in elk geval op een ander psychiatrisch beeld dan PTSS.

Niettemin brengen die fantasieën: enerzijds vervolgd te zijn, anderzijds vervolgden te helpen, ons tot de kern van de zaak. Want als we deze casus niet medisch maar sociologisch bekijken is de diagnose PTSS treffend. Nederland is de afgelopen jaren in de greep geraakt van een traumacultuur. Varma kon als politica bloeien in een klimaat waarin ziekte, onderdrukking en slachtofferschap een moreel pluspunt vormen. Zo riep haar rol in de Bijlmerenquête kritiek op, omdat zij niet remde maar stimuleerde dat Bijlmerbewoners zich als ziek en slecht behandeld beschouwden. In sommige kringen is getraumatiseerd zijn (door de slavernij bijvoorbeeld) een populaire, lonende identiteit. Voor wie zichzelf als redder ziet en presenteert, biedt zo'n traumacultuur een continue `achterban', een eeuwig reservoir aan redding-behoevenden dat men, schijnbaar solidair, kan vullen met steeds nieuwe slachtoffergroepen.

De term trauma was niet alleen onderhevig aan inflatie, hij is ook van betekenis veranderd. Nogmaals het oorlogstrauma. In de eerste naoorlogse decennia schaamden veel overlevenden zich als ze kwalen hadden of zagen zij ziekte als een verlate nederlaag (met als gevolg eenzaamheid en nodeloos lijden). Latere groepen `oorlogsgetroffenen' daarentegen onderstreepten hun leed. Stond trauma ooit voor uiterste onbespreekbaarheid, inmiddels heeft men er de mond van vol. Trauma werd een niet onaantrekkelijk attribuut en PTSS een diagnose waarmee je tevoorschijn kunt komen.

Jolande Withuis is socioloog.