Sterke dollar gijzelt Amerikaanse economie

Aarzelend daalt de dollar tegenover de euro, en dat voedt speculaties over een verdere depreciatie. Vraag is of de VS zich een zwakkere dollar wel kunnen permitteren.

Oneindig appreciërend (stijgend in waarde) in een spiraal omhoog, of met een steeds grotere snelheid het ravijn in? Nu de dollar zijn jongste hoogtepunt van 0,8344 dollar per euro op 6 juli achter de rug heeft en terug is op 0,88 dollar per euro – de laagste dollarkoers tegenover de euro in bijna drie maanden, maakt de financiële wereld zich opnieuw druk over de toekomst van de Amerikaanse munt.

Centraal staat de vraag of, en hoe, de dollar zich de komende tijd staande kan houden temidden van de toenemende onevenwichtigheid in de internationale economie. Terwijl de VS de eerste grootschalige laagconjunctuur doormaken sinds het begin van de jaren negentig, en het tekort op de betalingsbalans is toegenomen in de richting van een ongekende 4,5 procent van het bruto binnenlands product, is de Amerikaanse munt ijzersterk gebleven. De rest van de wereld – luidde de verklaring – was maar al te blij zijn spaargeld naar de VS te sturen, zo'n 1,8 miljard dollar per werkdag op dit moment. De winstgevendheid van Amerikaanse bedrijven was beter, de productiviteit groeide er sneller, en dus was het rendement op naar de VS gestuurd geld simpelweg beter dan thuis.

De VS zelf waren, zeker in de tweede ambtstermijn van Clinton, zelf ook gelukkig met de appreciërende dollar. Bij een economie die boven haar potentieel groeide, hield de sterke dollar via de invoerprijzen de inflatie nog enigszins in toom, en dat maakte het mogelijk dat de rente er relatief laag kon zijn.

Sinds het aantreden van Clintons opvolger Bush is er echter het nodige veranderd. De krachtige vertraging van de economische groei, het inzakken van de bedrijfsinvesteringen, de val van de aandelenkoersen op Wall Street en een winstval voor de beursgenoteerde bedrijven met gemiddeld 16 procent, hebben de VS het aura ontnomen van het mekka voor de belegger. Vanaf eind vorig jaar vertoont de euro-economie voor het eerst sinds 1992 een snellere groei dan de Amerikaanse. Beleggers van buiten waren op de Amerikaanse beurzen dit jaar nog steeds iets minder slecht af dan in Europa zelf, maar de vraag is of dat voordeeltje nog opweegt tegen het hogere risico op Wall Street: de gemiddelde koers-winstverhouding op de beurzen in het eurogebied is op dit moment 17, op Wall Street is dat 25.

Wat met de komst van Bush ook veranderde, is de grotere ontvankelijkheid van de Amerikaanse regering voor industriële belangen. De staal- en automobielindustrie, maar ook de landbouwlobby begint de pijn te voelen van de door de hoge dollar weggevreten concurrentiepositie, en pleit voor een depreciatie. De regering-Bush erfde de sterke dollarpolitiek van Clintons hooggewaardeerde ministers van Financiën, Robert Rubin en Larry Summers. Maar Clintons economie erfde zij niet. Zodat elk woord over de dollarpolitiek op de financiële markten nu op een goudschaaltje gewogen wordt. Toen Bush twee weken geleden, voor de G8-top in Genua dan ook zei dat de dollarkoers ,,wordt bepaald door de krachten op de valutamarkt'' kreeg de munt een duw naar beneden. Sindsdien is tussen Bush en zijn minister van Financiën, Paul O'Neill, die de verklaring van de president haastig herriep, een rollenspel gaande over de vraag wie zich over de dollar mag uitspreken.

Cruciaal voor de sterke dollar is of de Amerikaanse economie eerder dan de Europese uit het huidige dal komt en het spel van aantrekken en investeren van een verder groeiende stroom van buitenlands spaargeld opnieuw kan beginnen. De voormalige president van de Amerikaanse centrale banken Paul Volcker gelooft daar niet in. Volgens hem is het gat van 4,5 procent op de betalingsbalans niet houdbaar en zullen de magere Amerikaanse particuliere besparingen omhoog moeten om het gat te dempen, terwijl het overschot van de staat niet daalt. Dat kan niets anders betekenen dan dat de particuliere consumptie in de VS, en daarmee de economische groei, voor langere tijd op een lager pitje moet. Een wat zwakkere dollar moet tussentijds helpen de economische pijn te verzachten. ,,Ik wil niet worden geassocieerd met een zwakke-dollarpolitiek,'' zei Volcker vorige week tegen de bankencommissie van Amerikaanse Senaat. Maar hij drong wel aan op ,,enige versterking van de yen en de euro tegenover de dollar.''

En daar zit nu precies het probleem. Het plezier van het buitenland om geld naar de VS te sturen kan evengoed worden opgevat als een Amerikaanse verslaving aan buitenlands kapitaal. Mocht de dollar depreciëren, dan lopen de buitenlanders voor het eerst sinds bijna drie jaar een zichtbaar neerwaarts valutarisico. De prachtige rendementen op hun Amerikaanse beleggingen tot nu toe, voor een Europeaan opgeteld 32,8 procent sinds begin 1999, bestaan geheel uit winst op de koers van de dollar, die mede gestegen is doordat zij juist hun geld naar de VS stuurden.

Een dollardaling zou het animo van het buitenland om het Amerikaanse gat op de betalingsbalans te financieren drastisch verminderen. Zodat de dollar eerst ver omlaag moet, de Amerikaanse rente omhoog, of beide tegelijk, om de aantrekkelijkheid van de VS te handhaven. Daarmee dreigt de neerwaartse spiraal van een dollardaling waar instanties als het Internationale Monetaire Fonds nu al drie jaar tevegeefs voor waarschuwen. Dat maakt de sterke dollar tot een gevangenis van de regering-Bush. Lawaaierig uitbreken is er niet bij: het zal lang en voorzichtig vijlen worden om zichzelf daar uit te bevrijden.