Severini's nachten vol dans en drank

Een van de grootste attracties van het laat-negentiende-eeuwse Parijs was het bruisende nachtleven. In de talloze bars, nachtclubs en concertzalen die de Franse hoofdstad telde kon er elke avond naar live muziek geluisterd worden. Inwoners uit alle lagen van de bevolking dansten er de polka, de cancan en de chahut. Uit Amerika kwamen de klanken van de jazz en de ragtime overgewaaid, evenals de bijbehorende danspassen van de `cake walk', de `turkey trot' en de `monkey glide'. En ook de Argentijnse tango werd kort na de eeuwwisseling razend populair onder de Parijzenaren.

Voor veel kunstenaars vormden deze uitzinnige dansen een belangrijke inspiratiebron. Wereldberoemd is het schilderij Le Chahut (1889-1890) van Georges Seurat, een dynamische compositie van hoog opgegooide benen en wuivende rokken. Auguste Rodin maakte op late leeftijd diverse tekeningen van danseressen, en voor de mooiste werken van Edgar Degas stonden de ballerina's van de Opéra model. Maar de grootste bewonderaar van het Parijse nachtleven was zonder twijfel de Italiaanse kunstenaar Gino Severini (1883-1966). Tussen 1909 en 1916 hield hij zich vrijwel uitsluitend bezig met het vastleggen van dansende figuren, en maakte hij in totaal bijna honderd tekeningen, schetsen en olieverfschilderijen over dit onderwerp.

Een groot deel daarvan ruim vijftig werken, aangevuld met schilderijen en tekeningen van o.a. Seurat, Rodin en Theo van Doesburg is deze zomer te zien in de Peggy Guggenheim Collection in Venetië. Het is de grootste tentoonstelling uit de geschiedenis van het Venetiaanse museum en de eerste expositie die Severini's werk uit zijn futuristische periode op een thematische manier benadert. Een voorbeeldige catalogus met studies van vooraanstaande kunsthistorici begeleidt de tentoonstelling.

Severini verhuisde in 1906 van Italië naar Parijs, waar hij een atelier vond in Montmartre, het energieke centrum van het uitgaansleven. De Italiaan was een graag geziene gast in clubs als de Chat Noir, de Moulin Rouge, de Folies-Bergère en de Tabarin, en omdat hij bovendien een uitstekend danser was, mocht hij vrijwel overal gratis naar binnen. In 1910 sloot hij zich aan bij de Futuristen, de Italiaanse kunstenaars die onder leiding van de dichter Marinetti de geneugten van het moderne leven bezongen. Omdat Severini ook goede contacten met de kubistische beweging had, werd hij een belangrijke intermediair tussen de Parijse en Italiaanse avant-gardes.

Op een van de mooiste schilderijen van de tentoonstelling, Blue Dancer uit 1912, is goed te zien hoe Severini de technieken van beide stromingen combineerde. Het hoofd van de donkerharige danseres is op kubistische wijze uiteengevallen in driehoekige scherven, terwijl haar knalblauwe rok is opgebouwd uit ronde volumes die de dynamiek van de dans benadrukken. Op sommige delen van het schilderij plakte Severini tientallen glittertjes, die de voorstelling niet alleen een glamoureus tintje geven, maar ook het licht reflecteren. Wanneer je langs het doek loopt, lijkt het net of de danseres werkelijk in beweging is.

Een andere techniek die Severini hanteerde om zijn schilderijen een zo levendig mogelijk aanzien te geven, was het pointillisme. In navolging van Seurat, die hij mateloos bewonderde, bouwde hij zijn verflaag soms op uit kleine stipjes in contrasterende kleuren. Een prachtig voorbeeld hiervan is het schilderij Printemps à Montmartre (1909), een sfeervol stadsgezicht van de zonovergoten traptredes in de wijk. Op latere werken groeiden de stipjes uit tot Cézanne-achtige verftoetsen en werd Severini's vormentaal abstracter. Maar altijd gebruikte hij dezelfde sprankelende, ongemengde kleuren. Zijn liefde voor de complementaire kleuren ging zo ver dat hij regelmatig de straat op ging met een groene en een rode, of een blauwe en een gele sok.

De tentoonstelling geeft dankzij Severini's analytische blik een aardige indruk van hoe het er aan het begin van de twintigste eeuw in de Parijse clubs aan toeging. Mannen in zwarte pakken versmelten met de zwierige rokken van de dames terwijl ze de tango dansen. De danseressen op het podium, door felle lampen beschenen, worden haast ongrijpbare silhouetten. Het publiek, de muzikanten, de obers allemaal zijn ze gefragmenteerd weergegeven, alsof het halfdronken oog zoveel bedrijvigheid niet kon bevatten. De muziek, het geroezemoes en het applaus hoef je er alleen nog maar bij te denken.

Op de tentoonstelling is één werk te zien dat echt beweegt. Articulated Dancer uit 1915 is een `kinetisch' schilderij van een vrouw in een oranjerode jurk, wier armen en benen als bij een trekpop uit losse onderdelen bestaan. Mocht je aan de touwtjes trekken, dan zou de vrouw een houterige dans opvoeren. Het curieuze schilderij is een van Severini's laatste werken met de dans als thema. Inmiddels was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken, en vond de Italiaanse schilder het ongepast om het joie de vivre van de Parijzenaren te blijven verheerlijken.

Tentoonstelling: Gino Severini, The Dance 1909-1916. T/m 28 oktober in de Peggy Guggenheim Collection, Palazzo Venier dei Leoni, Dorsoduro 701, Venetië. Open: wo t/m ma 10-18u. Catalogus ƒ70,-. Inl.www.guggenheim-venice.it.