Martelaars en messiassen

Vlak voor haar dood schreef Henriëtte Boas, kampioene in het genre, nog een laatste ingezonden brief. Hij ging over de zaak van de Amerikaanse orthodoxe jood Kallman in Den Haag, die stelselmatig door Marokkaanse jongeren zou zijn gemolesteerd. Kallman had uitgeroepen dat hij in Israël asiel zou aanvragen, aangezien het in Nederland geen leven meer was. Boas wees hem er fijntjes op dat hij als jood daar helemaal geen asiel hoefde aan te vragen en vroeg zich in een insinuerende slotzin af of de Hagenaar zijn situatie niet al te gretig dramatiseerde. Postuum kreeg ze haar gelijk: de politie heeft geen enkel bewijs voor scheldpartijen en molestaties gevonden. Kallman zelf blijkt met de noorderzon vertrokken.

Haar leven lang stelde Boas feiten tegenover emoties en in dit laatste geval zie je de verdienste van zo'n houding. Wanneer Kallman naar de politie was gegaan met het verhaal dat hij door neonazi's door de straten van Den Haag was opgejaagd, had de achterdocht meteen toegeslagen; teveel echo's van Jules Croiset en andere zaken, zoals die van het invalide Duitse meisje dat eigenhandig een hakenkruis in haar wang had gekerfd. Maar een groepje Marokkaanse jongens – je hoeft die woorden alleen maar uit te spreken en de feiten worden overmeesterd door emoties. Want zo werkt het: wanneer ik hier vol overtuiging zou verklaren dat ik Napoleon ben, dan zou ik hoogstens een meewarig medelijden opwekken; beweer ik dat ik een joodse homo ben die dagelijks het slachtoffer is van ons multicultureel drama, dan trekt Netwerk er meteen een half uurtje voor uit. Getroubleerde fantasten als Kallman, die zichzelf de rol van martelaar aanmeten, maken zich instinctief de preoccupaties en obessies van de tijdgeest eigen, anders zouden onze harten niet voor hen bloeden, anders zouden we ze nooit de aandacht geven waarnaar ze zo psychotisch smachten. Hun ziekte is altijd ook een beetje onze ziekte.

Dat de politici zich na de ontmaskering van Tara Singh Varma als een pathologische leugenaarster haastten te verklaren dat het hier vooral om een persoonlijke tragedie gaat, is goed te begrijpen als crisismanagement, maar het is natuurlijk onzin. Er is niets persoonlijks aan het drama van Varma. Het is in de eerste plaats het drama van GroenLinks, maar ook van de politiek in het algemeen. Net als Kallman, maar veel langer en met veel meer effect, heeft deze derderangse politica haar eigenwaan kunnen voeden met maatschappelijke sentimenten, die een tijdlang natuurlijk ook algemene sentimenten waren. Haar laatste verdediging, die ze bij monde van haar nerveuze advocaat de wereld instuurde, zegt genoeg: Varma zou psychisch getraumatiseerd zijn door de molestaties van extreem-rechts van een aantal jaren geleden en door het gevoel dat ze in de Bijlmerrampenquête tekort was geschoten ten opzichte van haar eigen mensen, de bewoners van de Bijlmer. Op de valreep werd nog maar eens een poging gedaan een verband te leggen tussen haar persoonlijke lijden en traditionele linkse obsessies, angst voor racisme en de situatie van onmondige allochtonen, de mensen die de politiek in de kou laat staan en voor wie moet worden opgekomen.

Vijf jaar geleden zou het waarschijnlijk nog gewerkt hebben, maar nu niet, want die obsessies zijn onze obsessies niet meer. Het gevaar van opkomend extreem-rechts bestaat in Nederland niet, hoe graag de media en politici als Varma het ook anders zouden willen. Die bedreigingen, heeft de Amsterdamse politie al laten weten, zijn vrijwel zeker door Varma zelf verzonnen. De Bijlmerrampenquête bleek achteraf een georganiseerde vorm van volkshysterie, waarbij een stel nietszeggende politici op televisie voor rechter en verlosser konden spelen. Wanneer Varma vanaf de bank waarop ze in de beste traditie van het volkstoneel doodziek ligt te wezen, een laatste beroep op onze maatschappelijke sentimenten doet, voelen we slechts gêne. Niet omdat ze het zo slecht speelt, maar omdat we haar ooit klakkeloos geloofd zouden hebben. Er zit teveel boter op onze hoofden.

Dat moet de diepere reden zijn dat Varma zichzelf een dodelijke ziekte heeft toegedicht: instinctief zal ze beseft hebben dat haar tijd voorbij was. Anders dan haar partijgenoten ons willen doen geloven, is die verzonnen kanker geen jammerlijke ontsporing van een politica die haar leven fantastisch bevlogen is geweest. Die ziekte is een laatste leugen om te voorkomen dat al die andere leugenachtige praktijken als vanzelf aan licht gekomen zouden zijn, domweg omdat de tijden veranderd zijn. Varma heeft haar reputatie te danken aan het beeld van de allochtoon als slachtoffer – van armoede, van alomtegenwoordig racisme, van een algemene kansloosheid – een eeuwig slachtoffer dat van alle kanten ondersteund moet worden, die een mondige vertegenwoordiger nodig heeft, het liefst een bij wie hij op spreekuur kan komen. Noem het het `moeder Teresa-effect': zonder kneuzen geen Varma, dus die kneuzen moeten vooral kneuzen blijven, anders valt er niets te verlossen. Zulke verschoppelingen moeten wel voortdurend aangemoedigd worden, vandaar al die infantiele prijzen om goed allochtoon gedrag te belonen – met als laatste de door minister van Boxtel in het leven geroepen Tara Singh Varma-prijs, waarvan niemand weet waarvoor die bestemd is, maar dat hij goed bedoeld is, staat vast. Niet dat Varma ontmaskerd is, maakt die prijs pijnlijk. Het feit dat die prijs er is, is pijnlijk.

Langzamerhand is de Nederlandse houding ten opzichte van migranten zakelijker en rationeler geworden, steeds minder wordt die gevoed door de sentimentele noties die politici als Varma zo gemakkelijk wisten uit te buiten. Daar voelt iedereen zich beter bij, lijkt me, niet in de laatste plaats de migrant zelf, omdat die eindelijk kan ontsnappen aan de door Varma c.s. opgelegde stereotiepe slachtofferrol. In die zin kun je de affaire-Varma beschouwen als een afsluiting; haar val betekent het definitieve einde van een verkrampte en schuldbewuste omgang met migranten. Dat gaat vaak zo in Nederland: het zijn de zelfbenoemde messiassen en martelaars die ons door hun val met onze neus op de feiten wijzen. Na het geval-Croiset is onze nationale obsessie met antisemitisme zo goed als verdwenen. Na het geval-Varma zal met dreigend racisme als boeman hetzelfde gebeuren. Het lijkt me daarom een goed idee de Tara Singh Varma-prijs slechts één keer uit te reiken – aan Tara Singh Varma. Daarna kunnen we het schaamrood van onze kaken laten wegtrekken.