Hoe groot is de bak?

Aan de voeten van Thorbecke stond een duif te sterven, met zijn klauwtjes tegen een richel in de sokkel van de staatsman geklemd. Zijn veren hadden hun glans en samenhang verloren, om zijn nek was het kaal geworden, de eens zo rusteloze kop bewoog niet meer. Een doodzieke duif zoals je er in Amsterdam zoveel ziet. Dieet van patat, mayonaise, croissantkruimels, frikadellendeeg en krokettenklodders. Soms een slokje bier dat uit een half leeggedronken weggegooid blikje is gelekt. Voldoende water alleen als het regent, maar dan worden ze weer nat tot op hun vel. Dit dreigt een verhaaltje te worden dat u niet met droge ogen verder kunt lezen. Ja, toen ik er die avond weer langs kwam, was de duif niet meer bij ons.

Alweer een lid erbij! Het gaat goed met de maatschappij! Die juichkreet staat u in het geheugen gegrift. Is begin dit jaar verzonnen door Sire, de Stichting voor Ideële Reclame. De held van de commercial, Rob, raapt op straat een propje papier op, gooit het in de prullenbak, krijgt dan meteen van de burgemeester een medaille, een omhelzing van Miss Holland, terwijl F-16's van de Koninklijke Luchtmacht de driekleur in de hemel trekken. Daarna heeft minister Pronk zijn gevecht om het statiegeld op blikjes gewonnen. Intussen had Sire al de volgende actie in voorbereiding. Er moet in Amsterdam een standbeeld komen, `een mannetje (ik citeer Het Parool) dat met rechte rug en vastberaden blik naast een afvalbak staat, een prop papier in de rechterhand. Geen twijfel mogelijk: de frommel gaat in de vuilnisbak – zoals het hoort.'

Dit bronzen beeldje van 80 centimeter op een sokkel van een meter, gemaakt van Belgisch hardsteen, zou een jaar op de Westermarkt moeten staan, ergens tussen het Homomonument en de Rozengracht. Daarover is men het niet eens. De Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad beschouwt dit eerbetoon aan de onbekende proppenraper op deze plaats als een `reclameobject' en `vervuiling'. De Westermarkt is juist weer `opgeschoond'. Het Homomonument en het beeldje van Anne Frank komen eindelijk goed tot hun recht, en de Vrienden zijn van nieuwe `onzin' niet gediend. Sire wil desnoods wel een andere plaats. Over veertien dagen komt het vraagstuk in de gemeenteraad. Bij de wijsheid die daar ten beste zal worden gegeven, zal Sire zich neerleggen.

Als ik Sire was, zou ik op een precedent wijzen. Op 11 september 1960 werd door mevrouw E. van Hall-Nijhoff, de vrouw van de burgemeester, op het Spui het standbeeld Het Amsterdamse lieverdje van Carel Kneulman onthuld. Dat was de stad aangeboden door de Hunter Sigarettenfabrieken (Ha! Hunter! Heerlijk!). Niet lang daarna werd het Lieverdje door antirookmagiër Robert Jasper Grootveld verheven tot centrale figuur van de happenings waarin de `misselijkmakende middenstand' aan de kaak werd gesteld. `Klaas komt!' riep Grootveld. En dan zong men: `Brambram, uche uche, brambram, uche uche.' Inmiddels woeien de eerste rooksliertjes van de smeulende wiet door de straten. Daardoor is Amsterdam ten slotte nog wereldberoemder geworden. (Zie ook The Economist van 28 juli-3 augustus, The case for legalising drugs, waarin de initiatieven van Grootveld cum suis eindelijk recht wordt gedaan).

Maar ik ben Sire niet. Daarom neem ik, zonder het gezien te hebben, een kritische afstand tot het beeldje. Het bestaat uit twee delen: mannetje met prop en vuilnisbak. Ik ben vooral nieuwsgierig naar de vuilnisbak. Hoe groot is die? Hoe groot de opening? Wat zit erin? Puilt de bak al uit? Zal het mannetje zijn prop nog tussen het al krachtig gecomprimeerde afval kunnen persen? En wanneer wordt deze bak weer geleegd?

Dit zijn geen ideële vragen, en evenmin komen ze uit het brein van een professionele mopperkont. Ze worden ingegeven door koele economische berekening. Iemand die begaafder in de rekenkunst is dan ik, zou er in een oogwenk een formule van kunnen maken. Let op. We leven in de consumenteneconomie die de groei erin moet houden, onder andere door steeds weer met nieuwe, nog verleidelijker verpakkingen te komen. Ieder jaar stijgt de consumptie met, om het gemakkelijk te maken, een tiende. Dus neemt het volume afval door verbruikte verpakking ook met een tiende toe. Dit betekent dat de vuilnisbakken ieder jaar een tiende groter moeten worden. Is dat niet mogelijk, dan moet de frequentie van de ophaaldienst worden opgevoerd.

Nu blijkt in de Amsterdamse praktijk dat de bakken nog altijd het formaat hebben van tien jaar geleden, terwijl de ophaalfrequentie hier en daar is gehalveerd. Vroeger hadden die bakken één wijde opening, groot genoeg voor een gezinsfles whisky of wodka. Nu is die opening in tweeën verdeeld, zodat de gemiddelde weekendstapper er nog juist zijn eerste bierblikje door kan stampen. De meesten die na hem komen zijn al zo bezopen dat ze de opening niet meer kunnen vinden.

U denkt dat ik overdrijf. Ga kijken op de hoek van de Herengracht en de Vijzelstraat, schuin tegenover de ambtswoning van de burgemeester. Daar staan twee bankjes met twee vuilnisbakken. Of bij Thorbecke, aan zijn plein. Misschien ligt die duif er nog.