HERAKLEION, CANOPUS GINGEN ONDER DOOR OVERSTROMING VAN NIJL

Veel steden uit de Mediterrane oudheid zijn verdwenen, veelal door onbekende oorzaak. Dat geldt ook voor Herakleion en Canopus, vroeger geleden aan de rand van de Nijldelta. De recente vondst van ruïnes van deze steden, op zo'n 6-7 meer diepte in wat nu de Baai van Abu Qir is, voor de kust van Egypte, lijkt opheldering te bieden. Volgens Jean-Daniel Stanley (van het National Museum of Natural History, een onderdeel van de Smithonian Institution in Washington) en Frack Goddio en Gerard Schnepp (van het Institut Européen d'Archéologie Sous-Marine in Parijs) zijn de steden ruim twaalf eeuwen geleden door het water verzwolgen toen de Nijl door zijn oeverwallen heenbrak (Nature, 19 juli).

De catatrofe vond plaats toen beide steden allang hun bloeitijd achter zich hadden. De bloeitijd, die van de Griekse tot de Byzantijnse tijd had geduurd, was vooral te danken geweest aan het feit dat ze lagen langs een tak van de Nijl die een belangrijke handelsroute vormde tussen Griekenland en de landinwaarts gelegen steden in Egypte. Deze tak van de Nijl werd na het begin van onze jaartelling echter steeds minder belangrijk, doordat zich nieuwe rivierarmen vormden die beter geschikt waren voor de scheepvaart. Wellicht dat daardoor de beide steden langzaam verarmden, en minder geld beschikbaar hadden om zich tegen de jaarlijks hoge waterstanden van de Nijl te beschermen.

De in 1999 en 2000 verrichte onderzoeken van de gevonden ruïnes werden vooral uitgevoerd met technieken zoals side-scan sonar, hoge-resolutie opnames van de opbouw van de bodem, en magnetometrie, maar ook werden directe waarnemingen gedaan door duikers. Ook werden boormonsters onderzocht.

Uit het onderzoek blijkt dat de Nijltak zich van oost naar west verplaatste, en daarna weer terug naar het oosten. De verplaatsing, hoe langzaam ook vanuit menselijk oogpunt, leidde tot ruimtelijke problemen, vooral doordat belangrijke gebouwen (zoals tempels) bij voorkeur op de relatief hoge oeverwallen, dicht naast de rivier, werden gebouwd. In of na 731 (een datering die berust op de ouderdom van de jongste munten die werden gevonden) moeten deze bouwwerken nog intact zijn geweest, maar een hoge waterstand van de Nijl (zeker een meter hoger dan het gewone hoogwaterniveau) in 741 of 742 maakte daaraan een eind. De opbouw van de ondergrond laat zien dat er grote, gebogen `wiggen' aan de randen van de oeverwallen ontstonden. Dit geschiedde doordat de kleirijke afzettingen nabij de tempels het begaven, zoals ook dijken dat doen bij hoge waterstand en onvoldoende onderhoud. Daarbij speelde het gewicht van het Nijlwater dat over de zachte en instabiele oeverwallen met zijn sterk humeuze karakter stroomde, volgens de onderzoekers een grote rol. Toen deze processen eenmaal op gang waren gekomen, initieerden ze tal van vervolgprocessen, waarbij onder meer plaatselijk waterrijke klei uit de ondergrond als paddestoelachtige structuren omhoog werd geperst. De bodem werd steeds instabieler en er moeten volgens de boringen en bodemprofielen dan ook grote vervloeiingen en modderstroomachtige processen hebben plaatsgevonden.

Volgens de onderzoekers zijn de steden dan ook niet ten prooi gevallen aan de stijgende zeespiegel in de Middellandse Zee, en evenmin aan de daling van het deltagebied; deze twee eerdere verklaringen voor het onder water verdwijnen van beide steden moeten als onjuist worden beschouwd. Het proces waardoor de beide steden verloren gingen, vinden de onderzoekers goed vergelijkbaar met wat nu plaatselijk in de monding van de Mississippi gebeurt, waar echter geen bevolkingscentra van belang liggen.