De verloren zaak

Het slepende conflict in het Midden-Oosten heeft op één punt een overduidelijke winnaar: de geoliede Israëlische voorlichtingsmachine wint het al jaren glansrijk van de primitieve Palestijnse woordvoering. Hoe komt dat toch? Waarom laten de Palestijnen zoveel kansen liggen om hun zaak overtuigend voor het internationale voetlicht te brengen?

Acht smaken thee, drie soorten vruchtensap en bergen broodjes. Vloeiend Engels sprekende meisjes in olijfgroen legeruniform gaan efficiënt rond met fotomateriaal, communiqués vol handige 'quotes' en namenlijsten van 'zojuist vrijgelaten terroristen'. Zij wijzen op de briefing, zo dadelijk, door een Israëlische defensie-expert over 'Palestijnse terreuroperaties'. Overal collega's die met de mobiele telefoon aan het oor over het tapijt ijsberen, overleggend met redacties thuis over 'wat', 'hoe' en 'hoe laat'. Een cnn-chef die de aandacht trekt door opeens weg te benen met een blik alsof hij iets weet en wij niet.

Dit is het Isrotel in Jeruzalem, vrijdag 13 oktober 2000. Een dag eerder heeft een Palestijnse menigte in Ramallah op de Westelijke Jordaanoever twee Israelische reservisten gelyncht, en de Israëlische voorlichtingsmachine is in full swing. Vanuit een even razendsnel als voortreffelijk ingericht perscentrum in een van de beste hotels van Jeruzalem voorzien voorlichters van het Government Press Office en de Israeli Defence Forces de in allerijl ingevlogen wereldpers van alles wat ze nodig hebben: gruwelijke beelden van de lynchpartij, telefoonnummers van goedgebekte Israëlische analisten, politici of kolonisten, routebeschrijvingen naar de begrafenis van de reservisten. De satellietverbinding waarmee correspondenten rechtstreeks in hun avondnieuws verschijnen, is te vinden in het gebouw ernaast. Dat treft, want menig correspondent heeft nog maar nauwelijks voet op Israëlische bodem gezet of er wordt al een 'duidend' televisieoptreden verwacht.

De intifadah of tweede Palestijnse opstand is op dat moment twee weken bezig. Even leken de Palestijnen de allesbepalende propagandaoorlog te winnen: Israëlische soldaten hadden een Palestijns jongetje doodgeschoten toen hij met zijn vader achter een muurtje schuilde. Het jochie heette Mohammed al-Durra, alles was gefilmd en ging nu de wereld over. De beschuldiging dat Israël ongewapende burgers doodschiet, leek bewezen. Israël stond er gekleurd op.

Maar toen werden in Ramallah twee Israëlische reservisten aan stukken gescheurd onder het oog van verschillende cameraploegen die toevallig voor een begrafenis in de stad waren. De Palestijnse autoriteiten probeerden nog alle beelden in beslag te nemen, terwijl het onder meer in Nederland bekroonde pan-Arabische satellietstation al-Djeziera de banden zelf al maar vast had vernietigd. Maar een Italiaanse ploeg deed haar plicht en bracht de video naar buiten. Diezelfde avond nog bombardeerde Israël voor het eerst sinds 1967 Palestijnse steden. De voorlichters waren toen al gemobiliseerd om uit te leggen waarom.

Een dag later was ik in Ramallah. Hier geen perscentrum of zelfs maar registratie. Journalisten, zonder eigen contacten, zijn in de Palestijnse gebieden aangewezen op zogenoemde 'fixers'. Tegen een tarief van 100 tot 150 dollar per dag maken deze regelaars afspraken met Palestijnse analisten en politici, of gaan met je de straat op voor gesprekken met 'gewone mensen', in het jargon vox pop.

Die eerste dag in Ramallah was leerzaam. In kort bestek deed ik toen vrijwel alle ervaringen op die ik later in nieuwe variaties steeds weer heb opgedaan.

Samen kunnen ze verklaren waarom de Palestijnen zo weinig klaarspelen in de internationale publieke opinie, terwijl hun kaarten ijzersterk lijken.

Al in 1991 verklaarden de Palestijnen zich bereid het conflict te beëindigen en Israël te erkennen. In ruil daar- › voor moest Israël de resoluties van de Verenigde Naties uitvoeren over terugtrekking uit de bezette gebieden, en moest er een bevredigende oplossing worden gevonden voor de Palestijnen die in 1948 uit hun huizen waren gejaagd of gevlucht. Jordanië en Syrië steunden ook het principe van 'land in ruil voor vrede' en het Midden-Oostenconflict leek opgelost: de bezette gebieden beslaan 22 procent van het land waar tot de stichting van de staat Israël in 1948 moslims, christenen en joden samenwoonden. De Palestijnen waren dus bereid de rest van dat zogenoemde 'mandaatgebied Palestina', meer dan driekwart, aan Israël te laten.

We zijn nu tien jaar verder, en er is nog altijd geen vrede. Wat de Israëlische premier Barak vorig jaar in Camp David en Taba de Palestijnen precies heeft geboden is onduidelijk, maar vast staat dat het beduidend minder was dan de gehele bezette gebieden. Niettemin is het zeker in de Amerikaanse media op dit moment een leerstuk dat Baraks aanbod 'ongekend genereus was' (Newsweek) en dat hij de Palestijnen 'alles heeft geboden' (New York Times). Onvermoeibaar herhalen Israëlische woordvoerders dezelfde mantra voor hun eigen media, op cnn en bbcworld, zonder op dit essentiële punt ooit doordacht weerwerk te krijgen van de Palestijnen. Als gevolg hiervan meent nu vrijwel heel Israël dat Arafats 'nee' op de voorstellen van Barak bewijst dat de Palestijnse leider niet serieus naar vrede streeft. Aldus liep het Israëlische vredeskamp leeg, en kon de rechtse Sharon premier worden.

Waarom bepleiten de Palestijnen hun zaak niet beter? Dat is het raadsel.

Mijn opdracht in Ramallah was de toedracht over die twee Israëlische reservisten te achterhalen. Wat doen twee soldaten van het best getrainde leger ter wereld middenin een volksopstand in een Palestijnse stad? Mijn fixer was een hoge Palestijnse functionaris. Een officieel Palestijns standpunt over de gebeurtenissen was er niet, noch een instantie om navraag bij te doen. De fixer vroeg dus rond en we spraken met ooggetuigen, met een politieman, met een lid van de Palestijnse Wetgevende Raad, enigszins te vergelijken met een parlement. Allemaal kwamen ze met hetzelfde verhaal: een Palestijn werd net begraven, toen in de stad twee gewapende Israëliërs werden gearresteerd. Bij de begrafenis liepen alle leiders van de intifadah mee, en de conclusie was snel getrokken: die reservisten vormden een doodseskader.

Cruciaal in dit verhaal was natuurlijk de precieze plek van de arrestatie. De uitgebrande auto van de reservisten stond op vijftig meter van het Palestijnse politiebureau. Als ze daar inderdaad waren 'onderschept', ondersteunde dat de Palestijnse versie. Om bij dat politiebureau te komen, moet je half Ramallah door. Ook een minder snuggere reservist heeft dan door dat hij in een Palestijnse stad verzeild is geraakt.

Alle ondervraagden bezwoeren onafhankelijk van elkaar dat de auto pas in het centrum was tegengehouden, en ik trok daarop de voor de hand liggende conclusie: de Israëliërs waren gestuurd. Gelukkig gebeurde dit allemaal op een zaterdagavond, zodat ik met mijn bevindingen tot maandag moest wachten voor NRC Handelsblad van die dag. Zondag kwam de in Ramallah wonende Israëlische correspondente voor haar krant Ha'aretz met een overtuigende reconstructie waaruit bleek dat de reservisten meteen aan de gemeentegrens waren gearresteerd. Daar houdt de Israëlische bezetting op en begint het gebied onder beperkt Palestijns zelfbestuur. Vervolgens waren ze door de Palestijnse politie meegenomen naar het centrum. De reservisten waren dus werkelijk verdwaald, niks doodseskaders, en al die prominente Palestijnen hadden gelogen of maar wat geroepen.

Zoiets zal je bij het Government Press Office niet snel overkomen. De Israëliërs schuwen geenszins manipulaties en ze sturen geregeld halve waarheden de wereld in, maar liegen doen ze zo min mogelijk, om de simpele reden dat zij begrijpen dat je je geloofwaardigheid langzaam opbouwt, maar die ook weer snel kunt verliezen.

Palestijnen daarentegen hebben nauwelijks ervaring met een onafhankelijke pers. Je merkt dat meteen in gesprekjes op straat: 'Journalist? Dus je werkt voor de ambassade. Welkom. Dat is een goede baan met veel privileges.' Of: 'De Nederlandse regering is pro-Israëlisch, hè? Betalen ze je goed?' En: 'Is jouw krant van de regering of van de oppositie?'

Mensen begrijpen ook niet wat bijvoorbeeld een reportage inhoudt. In het dorpje dat net half is platgebulldozerd door het Israëlische leger, brengen de inwoners je meteen naar de burgemeester, in plaats van naar een van de slachtoffers. In het jargon heet dat sjeiën, het onvermijdelijke thee (sjei) drinken met een hooggeplaatste. Die burgemeester houdt vervolgens een betoog in klassiek Arabisch dat zo uit een staatskrant komt, en waar je niets aan hebt. Spreek je dan eindelijk een fruitteler uit het dorp, dan schat die de geleden schade rustig op 'een miljoen dollar', terwijl zijn akkertje 100 vierkante meter beslaat. Zoiets kost heel veel tijd, die veel correspondenten met hun deadlines voor internet, radio, televisie en/of krant gewoon niet hebben.

Het overdrijven en liegen komt bovendien terug op ieder niveau. In juni meldde het Palestijnse persbureau wafa dat Israëlische vliegtuigen 'vergiftigd snoepgoed boven de Palestijnse gebieden uitstrooien'. In mei verklaarde Arafat dat Israël 'verarmd uranium, gifgas en radioactief materiaal' gebruikt tegen de Palestijnen.

In deze drie voorbeelden zaten de Palestijnen aantoonbaar 'fout'. Maar geregeld hebben ze wel gelijk, maar weten ze hun standpunt niet over het internationale voetlicht te krijgen. Dit komt door culturele verschillen en misverstanden, door gebrek aan middelen en door onwil van beide partijen. Deze factoren tezamen maken dat Palestijnen de mediaoorlog verliezen, en daarmee de strijd met Israël. Want dit conflict wordt bepaald door de Westerse publieke opinie. Zonder die betrokkenheid zouden Palestijnen weinig meer zijn dan Tsjetsjenen: een ongeorganiseerde bende slecht bewapende, halve analfabeten die het opnemen tegen een kernmacht.

'Allahu akbar Allahu akbar', scandeert de menigte in Khan Younis in Gaza waar een 14-jarige Palestijnse jongen wordt begraven. Hij is doodgeschoten door Israëlische militairen, omdat hij stenen gooide. Zoals bij alle begrafenissen van 'martelaren' is de sfeer geladen, her en der gaan autobanden en een Israëlische vlag in de fik.

'Dat is nu ons probleem', zegt freelance journalist Adnan Abu Hasna later. 'We slagen er niet in ons verdriet te uiten op een manier die de wereld begrijpt. Als ik die maskers en kalashnikovs en brandende vlaggen zie, moet ik mezelf beheersen er niet heen te stappen en te zeggen: wat denken jullie hiermee in hemelsnaam te bereiken?'

Abu Hasna heeft in het buitenland gewoond. Zoals veel westers opgeleide Palestijnse intellectuelen voelt hij zich gevangen tussen twee vuren. Enerzijds hebben zijn landgenoten de neiging om hun woede, verdriet en wanhoop zo te uiten dat het alleen de westerse stereotypen over mad crazy Arabs bevestigt. Anderzijds storten de westerse media zich graag op dit soort beelden, en volstaan er vaak mee.

'Het gaat in een mediaoorlog in hoge mate om sympathie, en dus om identificatie', zegt Iyad Serraj, psychiater in Gaza. Israëliërs zijn westerlingen in een democratische consumptiemaatschappij, net als de Europeanen en Amerikanen die naar het nieuws kijken. Palestijnen zijn doorgaans berooide moslims en uiten zich Arabisch, dat wil zeggen: nooit zwakheid tonen. 'Allahu akbar!'

Als om de woorden van Serraj en Abu Hasna te onderstrepen, verschijnt in diezelfde week op de opiniepagina van de International Herald Tribune een artikel van een joodse koloniste wier zoon net door Palestijnen was gestenigd. Het ging over de angst onder kolonisten in de bezette gebieden: 'Iedereen hier doet aan de lijn', schreef ze, 'want ons gewicht is het enige dat we nog onder controle kunnen hebben.' Dat is een observatie die je bijblijft, een typering van machteloze wanhoop die invoelbaar is voor westerlingen.

Vergelijk dat met de ouders van de jongen uit Khan Younis. 'Is dit rechtvaardigheid?', antwoordde de vader op mijn vraag hoe hij zich voelde, en hij herhaalde dit na alle andere vragen. 'Is dit rechtvaardigheid? Wij zullen vechten tot we onze rechten hebben. Allah is groot! Is dit rechtvaardigheid?'

Hierbij komt nog dat westerse correspondenten zelden Arabisch spreken, waardoor er eerst nog vertaald moet worden. Al deze obstakels maken dat het verdriet van de vloeiend Engels sprekende joodse koloniste makkelijker is over te brengen op een westers publiek dan dat van een boze Palestijnse vader.

Toch is dit niet het hele verhaal. Het gaat er niet alleen om dat westerse journalisten niet in staat zijn de uitingen van Palestijnse emoties 'cultureel te decoderen'. Dit is het dilemma van alle correspondenten en antropologen die verslag doen van andere culturen. Voelen en denken deze mensen hetzelfde, maar uiten ze het anders? Of staan ze wezenlijk anders in het leven?

Nog een keer terug naar die vader in Khan Younis. Behalve zijn strijd- en wraaklust bleef hij eindeloos zijn trots benadrukken. 'Ik wil al mijn zonen geven! Moge ik zelf sterven als martelaar!' Het is de reactie van de meeste Palestijnse ouders die een kind verliezen in deze intifadah. Wat moet je met zo'n uitspraak? Letterlijk nemen? Je kunt naar westers opgeleide psychiaters gaan als Iyad Serraj, die dit denial noemen, ontkenning: de schok is te groot, dus ouders maken van het verlies een overwinning: hun zoon is in de hemel.

Wat moet je nu schrijven? Als je de vader letterlijk aan het woord laat, krijg je boze brieven dat je 'een racist bent die denkt dat Palestijnse ouders niet van hun kinderen houden'. Maar volg je de analyse van Serraj, dan bezondig je je volgens andere critici aan eurocentrisme. Je zegt dan immers: 'Ja, deze vader zegt wel dat hij blij is, maar eigenlijk is hij dat helemaal niet. Ik heb als westerse correspondent namelijk beter inzicht in zijn geestesgesteldheid dan de man zelf'.

Dat Israël het mediaspel zoveel beter beheerst, heeft natuurlijk ook te maken met een verschil in financiële middelen. Neem het systeem van de fixers. In het dagelijks leven zijn dit doorgaans voorlichters bij de Palestijnse autoriteiten, met een maandsalaris van zo'n 300 dollar. Maar in crisistijd, als de Palestijnse autoriteiten hen het hardste nodig hebben, gaan de officiële woordvoerders op pad met het nos-journaal of Le Monde. Alsof tijdens de Enschede-ramp alle voorlichters van Binnenlandse Zaken en Justitie aan het werk waren voor buitenlandse persbureaus.

Ook internationaal staat Israël sterker. Het heeft overal ambassades en verkeersbureaus, die bij uitstek zijn toegerust op het bewerken van media en politiek. De Israëlische ambassadeur in Nederland gaat geregeld met zijn voorlichter op bezoek bij actualiteitenprogramma's als Netwerk, Nova, het nos Journaal en Radio1 om het Israëlische standpunt toe te lichten. Nederlandse redacteuren, commentatoren en correspondenten worden uitgenodigd op de ambassade of in Israël.

Tal van al dan niet joodse lobbygroepen bewerken tezelfdertijd Nederlandse politici, en met succes; de inhoud van hun e-mailcampagnes is vaak letterlijk terug te vinden in Kamervragen. Een Nederlandse diplomaat in een Arabische hoofdstad zegt: 'Kijk, wat Frans Weisglas (Tweede-Kamerlid voor de vvd - jl) doet voor Israël, namelijk onze minister klemzetten met Kamervragen... de Palestijnen hebben zo iemand niet. Omdat ze niet lobbyen. En dus missen ze kansen.'

Onderneemt Arafat dan helemaal niets? Jawel, hij benoemde de chauffeur van het plo-kantoor in Den Haag tot vertegenwoordiger in Nederland.

In de Verenigde Staten reikt de Israël-lobby nog veel verder. De meerderheid van de Congresleden ontvangt van haar cruciale sommen campagnegeld. Dennis Ross, de speciale gezant voor het Midden-Oosten onder Clinton, werkte eerst voor aipac, de belangrijkste pro-Israël-lobbygroep, net als de vorige Amerikaanse ambassadeur in Israël, Martin Indyk. Op dit moment voeren pro-Israëlische adverteerders op cnn een campagne om de Palestijnse verslaggeefster Roula Amin van het scherm te krijgen. Ze dreigen hun advertenties terug te trekken. Een eerdere actie leidde ertoe dat het betwiste Jeruzalem op de weerkaart van cnn bij Israël staat ingedeeld.

Het effect van deze lobby's lijkt vooral dat bepaalde vragen niet worden gesteld, bepaalde kwesties niet worden aangeroerd. 'Het is een sneeuwbal', zegt Mustafa Barghouthi, een van de meest geciteerde Palestijnse oppositieleiders. 'Dan krijg ik opeens in drie dagen vijftien telefoontjes van allerlei correspondenten over ''ophitsing door de Palestijnse media", of over ''geweld binnen Palestijnse gezinnen", of over ''ouders die hun kinderen de dood insturen'.' Israël lanceert die thema's met e-mailcampagnes, 'zwartboeken' en 'rapporten', en bepaalt daaarmee de agenda.

Welke punten zou Barghouthi dan onder de aandacht gebracht willen zien? 'Plenty', zegt hij met een sombere lach. Zo schiet Israël in deze intifadah stenengooiers dood, omdat zij een levensgevaar zouden vormen voor Israëlische soldaten. Dit is merkwaardig, stelt Barghouthi, als je het vergelijkt met bijvoorbeeld het Amerikaanse politieoptreden bij de antiglobaliseringstop in Seattle. Daar namen demonstranten die aanmerkelijk zwaarder waren uitgerust dan Palestijnse pubers, het op tegen agenten in beduidend minder beschermende kledij dan Israëlische soldaten. Maar er werd niemand doodgeschoten.

Een ander voorbeeld zijn de Israëlische blokkades van Palestijnse steden. Vrijwel alle westerse media duiden deze zonder meer aan als 'veiligheidsmaatregelen'. Maar bijvoorbeeld de blokkade tussen Jeruzalem en › Ramallah bestaat uit een aantal betonblokken midden op de weg waar Israëlische soldaten tegenaan leunen. Slechts af en toe wordt een kofferbak geopend, Palestijnen te voet kunnen helemaal ongehinderd passeren. Het enige effect is een enorme file, en daarmee de ontwrichting van het Palestijnse dagelijks leven. Een veiligheidsdoel dient het niet, daarvoor zou iedere passerende persoon en auto moeten worden gecontroleerd.

Waarom krijgen Palestijnen dit niet op de agenda? Waarom laten ze zich bijvoorbeeld internationaal afbranden wegens de anti-Israëlische opruiing in hun media, terwijl de ophitsing van de andere kant nauwelijks naar buiten komt? In de orthodoxe wijken van Jeruzalem zijn de Arabische letters op straatnaamborden doorgekrast, joodse kolonisten scanderen bij hun massale demonstraties 'Dood aan de Arabieren' en op de muren in Israël staat 'Kahane had gelijk', een eerbetoon aan de Amerikaanse rabbi die pleitte voor de 'transfer' - verdrijving - van alle moslims en christenen (oftewel Arabieren) uit Israël en de bezette gebieden. Voeg dit bij het pleidooi van de geestelijk leider rabbi Ovadia Yosef van Shas, de derde partij van Israël, voor de 'uitroeiing van Arabieren' en de racistische uitspraken van de minister van toerisme Ze'evi ('Palestijnen zijn luizen') en je hebt daarmee toch voldoende stof voor een tegenoffensief?

'Ik heb het geprobeerd!', roept Radwan Abu Ayyash uit met een mengeling van woede en wanhoop. Abu Ayyash was een prominent leider in de eerste intifadah van 1987 tot 1993. Vrijwel dit hele kader, dat droomde van 'Palestina als eerste Arabische democratie', is door Arafat terzijde geschoven. Abu Ayyash bekleedt als directeur van de Palestijnse televisie nog wel een hoge positie. Hij praat als een van de zeer weinigen openlijk over het haperende pr-beleid.

'Ik heb Arafat gesmeekt om een Palestijns Media Centrum', vertelt Abu Ayyash. 'Het kwam er, maar wat gebeurde? De Palestijnse minister van informatie, Abed Rabbo, veranderde het in een vehikel voor zijn eigen ego.' Het centrum zou journalisten moeten helpen met afspraken voor interviews en met snelle reacties van functionarissen. 'Maar Abed Rabbo geeft die reacties en interviews liever zelf.' Een westerse diplomaat zegt: 'Zolang journalisten van The New York Times, cnn en bbc wel het mobiele nummer van de Israëlische premier hebben, maar drie dagen moeten wachten op een officiële Palestijnse reactie, zullen de Palestijnen het altijd verliezen.'

Maar ook als journalisten hoge Palestijnen aan de lijn krijgen, loopt het vaak mis. 'Die ellenlange monologen', zegt Abu Ayyash moedeloos. 'Kijk, wij vinden dat mooi. De hele nacht opblijven om gedichten te schrijven voor onze geliefde... Maar jullie liggen om twaalf uur in bed. Jullie willen feiten, geen retoriek.' Abu Ayyash kan wel huilen als hij Palestijnse politici op routinevragen van journalisten weer iets onverstaanbaars hoort roepen over 'Israeli aggression' en 'barbaric attacks on the innocent Palestinian peoples'. 'Ze denken niet zoals de Israëliërs: wat wil deze journalist en hoe kan ik mijn verhaal daarin kwijt, ze beginnen gewoon een verhaal.'

De Arabische politieke cultuur speelt de Palestijnen parten, meent Abu Ayyash. 'Ik noem het sjeikisme, naar de sjeik of de dorpsoudste die alles controleert. Wanneer ik als tv-directeur naar Koeweit wil, heb ik toestemming van Arafat nodig. Hij houdt alles in eigen hand.' Tel hierbij op dat Arafat de meeste functionarissen aan zich heeft gebonden met privileges. Hun kinderen studeren op staatskosten aan de beste universiteiten in Amerika, hun familieleden krijgen de beste medische zorg in het Westen - geen wonder dat functionarissen vooral bezig zijn met wat Arafat wil horen. Wat telt is loyaliteit. Toen de in Amerika populaire Hannan Ashrawi kritische dingen ging zeggen over Arafats dictatoriale trekjes, verdween ze van het scherm. De net overleden Faysal Husseini overkwam hetzelfde. 'Weet je hoe dat gaat?', vraagt een Palestijnse oud-diplomaat. 'bbc bestelt een interview met een onderhandelaar. Uiteraard loopt dit via Arafat. Dan vraagt de uitverkoren onderhandelaar wat hij moet zeggen, waarop Arafat antwoordt: "Ga je gang maar, ik vertrouw je." ' Op die manier ontloopt hij de verantwoordelijkheid voor wat de onderhandelaar zegt. 'Vergelijk dat met de Israëliërs', zegt Abu Ayyash moedeloos. 'Die hebben allemaal hetzelfde factsheet voor zich met één boodschap in begrijpelijk Engels.'

De Palestijnen willen graag op televisie, en Arafat speelt ze met verve tegen elkaar uit: divide et impera.

'Ik word vaak door westerse tv-stations gebeld', zegt een hoge Palestijnse functionaris die goed Engels spreekt. 'Maar ik doe het nooit. Als ik tien keer op televisie ben geweest, worden anderen nerveus, en gaan ze aan m'n stoelpoten zagen.'

Op hun beurt zijn de lagere pionnen in het Palestijnse gezag ook weer kleine sjeiks. Toen de Palestijnen met Israël moesten praten over water, boden de Verenigde Naties een cursus onderhandelen aan. Slechts één functionaris schreef zich in, de anderen vonden dat niet nodig. Toen cnn dit voorjaar de speech van Arafat uitzond ter gelegenheid van de Nakba, de verdrijving/vlucht van de Palestijnen uit wat nu Israël is, werd de vertaling niet door een tolk gedaan, maar door de ijdele onderhandelaar Nabil Shaat. Het werd een onbegrijpelijk verhaal. Ondertussen ligt de doortimmerde mediastrategie die was uitgewerkt na Camp David om het Palestijnse standpunt uit te dragen, in een la. En Arafat heeft het afgelopen jaar één interview gegeven aan cnn. Maar toen hem kritische vragen werden gesteld, liep hij gewoon de studio uit.

Om dezelfde reden saboteert Arafat massademonstraties. Wat zou er effectiever zijn dan een vreedzame million men march op Jeruzalem of geweldloze sit-ins door vluchtelingen op de plaatsen waaruit ze in 1948 zijn verjaagd? Gandhi in plaats van Che Guevara. Maar Arafat dwarsboomt zulke initiatieven, want demonstranten zouden wel eens leuzen voor democratische hervormingen kunnen schilderen. Intussen laten de gewone Palestijnen zich Arafats Alleingang aanleunen, in de veronderstelling dat de dorpsoudste het allemaal wel zal oplossen.

Dat is misschien wel de grootste Palestijnse handicap, bevestigt Arjan El Fassed, talent blijft onbenut. Een Israëliër voelt zich vereerd om iets te doen voor zijn land. Maar bij de Palestijnen betekent dit dat je je associeert met de dictator Arafat. El Fassed is half-Palestijns en half-Nederlands en studeerde politicologie in Leiden. Hij is slim, goed opgeleid en vertrouwd met westerse media. Hij zou een ideale woordvoerder zijn voor de Palestijnen in Nederland. Maar in plaats daarvan werkt El Fassed bij een mensenrechtencentrum en een website. Dat is nuttig werk maar beduidend minder verstrekkend. 'Ik zou nooit voor Arafat werken', zegt hij resoluut. Zijn vrienden zijn zelfs bedreigd door Arafats veiligheidsdiensten, als straf voor acties van El Fassed tegen schendingen van de mensenrechten door het Palestijns gezag.

Alles bij elkaar is het stuurloze pr-beleid van de Palestijnse autoriteiten een goede casestudy voor de politiek van Arabische dictaturen in deze tijd van globalisering. De Egyptische Mubarak, de Syrische Assad, de Jordaanse Abdallah en ook de Palestijnse Arafat belijden dagelijks de noodzaak van het aantrekken van buitenlandse investeerders, het stimuleren van het toerisme en het stroomlijnen van het overheidsapparaat, omdat westerse donoren dat willen horen, en omdat ze de werkloosheid moeten bestrijden.

Maar als Arafat kan kiezen tussen een effectief beleid tegenover Israël met negatieve gevolgen voor zijn eigen machtspositie, en een belabberde politiek waarmee hij zijn eigen kliek tevreden houdt, dan heeft ook deze dictator de keus snel gemaakt.

Het moet dus komen van druk van buitenaf. Maar zal het Westen het ooit aandurven Israël te dwingen tot uitvoering van vn-resoluties over volledige terugtrekking uit de bezette gebieden en tegelijkertijd de cruciale financiële steun aan de Palestijnse autoriteiten afhankelijk te maken van democratisering en goed bestuur? En zullen Arabische dictaturen elders zo'n proces ongemoeid laten, ook al kan het hun eigen bevolking op ideeën brengen?

Haydar Abdel Shafi is oud-onderhandelaar, directeur van het Palestijnse Rode Kruis, onkreukbaar en de meest gerespecteerde persoon in de bezette gebieden. Sommigen noemen hem zelfs 'de Palestijnse Nelson Mandela'. Toen de Palestijnse autoriteiten in 1996 hun enige verkiezingen hielden, voor de Wetgevende Raad, werd Abdel Shafi met ruime meerderheid gekozen. Binnen en buiten de Raad verwachtte iedereen dat hij voorzitter zou worden. Maar Arafat schoof zijn maatje Abu Ala naar voren. Het was het begin van het einde, het signaal dat Arafat niet van plan is in Palestina een democratie te laten groeien. Zoals Israël de overgang niet heeft weten te maken van bezetter naar partner en doorging met afknijpen en vernederen, zo wilde of kon Yasser Arafat op het cruciale moment niet de laatste stap zetten. De guerrillastrijder werd geen staatsman.

Abdel Shafi is uiteindelijk uit de Wetgevende Raad gestapt, waarvan het mandaat alweer anderhalf jaar is verstreken. Nieuwe verkiezingen zijn uitgesteld tot 'de situatie het toelaat'. Ook de gemeenteraadsverkiezingen, een onafhankelijke rechterlijke macht en de persvrijheid worden al acht jaar gesaboteerd door Abu Ammar, zoals de Palestijnen Arafat noemen.

'Een goed onderhandelingsresultaat met de Israëliërs en daarmee een duurzame vrede, is alleen bereikbaar als de Palestijnen hun talenten mobiliseren', zegt een oude en zichtbaar vermoeide Abdel Shafi in zijn kantoor in Gaza. 'Dat lukt alleen in een democratische rechtsstaat. Dan ook zal het makkelijker zijn om de wereld en Israël ervan te overtuigen dat we echt vrede willen, en dat het loont daarvoor de vn-resoluties uit te voeren.'

Zal Abdel Shafi dat nog meemaken? De Israëlische overmacht, de acht jaar wanbestuur en repressie onder Arafat, de al tien maanden durende intifadah... Heeft Abdel Shafi nog hoop? Hij slaat de ogen neer en zwijgt. M

Joris Luyendijk is Midden-Oosten-correspondent van NRC Handeldsblad. Zijn standplaats is Beirut.

Frank Dam is docent visuele communicatie en illustrator.

[streamliners] Even leken de Palestijnen de propagandaoorlog te winnen

'We slagen er niet in ons verdriet te uiten op een manier die de wereld begrijpt.'

Het verdriet van de Engels sprekende joodse kolonist is makkelijker over te brengen.

De Arabische politieke cultuur speelt de Palestijnen parten.

Wat zou er effectiever zijn dan een vreedzame million men march op Jeruzalem?