De geboorte van de publieke opinie

De achttiende eeuw was geen saaie pruikentijd, maar een enerverende periode van debat en discussie. Zeggen de historici Kloek en Mijnhardt.

`Als je zegt dat de Middeleeuwen zo primitief zijn, wordt iedereen ontzettend boos. Maar het is wel volstrekt geaccepteerd om te zeggen dat de achttiende eeuw zo gezapig was'', zegt de Utrechtse literatuurhistoricus Joost Kloek een beetje verontwaardigd. ``Uit recalcitrantie'' ging Kloek als student achttiende-eeuwse tijdschriften lezen en hij zag het onmiddellijk ``zinderen van het leven''. ``Nederland zou in die tijd cultureel achterlijk zijn en de buitenlandse ontwikkelingen niet meer volgen. Nou, ik zag het ene vertaalde werk na het andere, alle grote internationale denkers werden in Nederland gelezen en bediscussieerd. Het was echt spetterend!''

Samen met de Utrechtse historicus Wijnand Mijnhardt, die zich als student ook al ergerde aan de neerbuigende typeringen van de `pruikentijd', schreef Kloek het onlangs verschenen 1800. Blauwdrukken voor een samenleving, ruim 600 pagina's dik (SDU, ƒ99,17). Het vormt het vierde deel in de culturele geschiedenisserie `IJkpunten' van NWO. De vorige delen gingen over de periodes rond de jaren 1650, 1900 en 1950. In de kamer van Mijnhardt in het Utrechtse Instituut voor Geschiedenis praten de twee historici over hun boek.

Kloek en Mijnhardt benadrukken de ontwikkeling van wat ze noemen `een communicatiesamenleving', gegrondvest op de nieuwe structuur van genootschappen en algemene tijdschriften. ``Toen ontstond een culturele publieke opinie. Vanaf 1770 waren er genoeg tijdschriften en genootschappen voor een soort take off'', zegt Mijnhardt. ``Voor de grote groep burgers die deelnam aan die debatten was de periode 1770-1780 een ideale tijd. Men dacht een diagnose van de problemen van de Republiek te hebben én een oplossing: aan de slag! Daarna komt de confrontatie met de werkelijkheid. Iedere poging tot verandering wordt een beleidsnachtmerrie, in de Patriottentijd, maar ook in de Bataafse republiek.'' In de achttiende-eeuwse debatten zien Mijnhardt en Kloek een burgerschapsideaal ontstaan dat volgens hen tot circa 1970 stand heeft gehouden. ``In die tijd begon echt iets nieuws'', aldus Kloek.

Waar komt dan dat slechte beeld van de achttiende eeuw vandaan?

Kloek: ``Het is in feite een erfenis van de achttiende eeuw zelf. Toen werd aan alles een morele duiding gegeven, dus ook het verval van de Republiek zelf. Er waren maar weinigen die structurele oorzaken zochten, zoals het feit dat de eerdere bloei ook te danken was aan de burgeroorlogen in Engeland en Duitsland. De meesten weten de neergang aan karakterzwakte en Jan Saliegeest. Dat idee heeft doorgewerkt.''

Mijnhardt: ``De psychologie van de historicus speelt ook mee. Wat is er nou leuk aan om te schrijven over een tijd waarin alles misging?''

Toch spreekt ook u regelmatig van middelmatigheid in uw boek.

Kloek: ``Nee, nee, altijd tussen aanhalingstekens! Maar inderdaad, er was wel in die tijd een grote afkeer van al te grote individuele uitingen en acties. De beste staat is de middelmaat, zei de Bataafse politicus Van der Palm, want je kon je maar beter niet afzonderen van het brede draagvlak.''

Mijnhardt: ``Er was een permanent debat over de vraag of men energie moest steken in het succes van de enkeling of dat men verantwoordelijkheid diende te dragen voor de samenleving als geheel. Maar dat is toch wel iets anders dan gezapigheid! Het ging erom iedereen te betrekken bij het nieuwe burgerschapsideaal.''

Uw boek gaat vooral over denken, weinig over doen. Waarom niet meer aandacht gegeven aan het politieke activitivisme in de Patriottentijd en in de Bataafse Republiek?

Mijnhardt: ``Wij waren gefascineerd door de vraag: `Hoe heeft de Republiek in die tijd geprobeerd zich te moderniseren?' Het land had een unieke positie gehad in de zeventiende eeuw, de Gouden Eeuw, en daarna kwam een periode van economische en internationaal politieke achteruitgang. Dat verval zelf is al vaak zeer adequaat beschreven, zowel de economie als de politiek. Ons gaat het om de ideeën om dat verval te stuiten. De oplossing werd toen vooral gezocht in het ontwikkelingsideaal van `een moreel burgerschap' dat alle inwoners moesten omarmen. En dat ideaal is de kern geworden van de burgerlijke cultuur in de eeuwen daarna.''

Kloek: ``Het is een wonder dat er überhaupt wat tot stand kwam in de Bataafse Republiek. Want het is zelfs voor professionele historici moeilijk voor te stellen met hoe weinig zaken de overheid zich bezighield. Om iets te organiseren was een geweldige inspanning nodig. Vandaar ook dat zo vaak de morele invalshoek werd gekozen: ze konden de problemen alleen op die manier structureren. En het morele appel werkte mobiliserend.''

Mijnhardt: ``Uniek voor Nederland was dat je vóór 1795 alleen maar iets kon doen op lokaal, stedelijk niveau. Dat was de basis van de samenleving. Het voordeel was overzichtelijkheid en direct contact met de betrokkenen. De Provinciale Staten waren weinig meer dan een soort intergemeentelijk overleg. Zeeland had 7 of 8 ambtenaren, de Friese Staten hadden er 12. De centrale overheden deden de buitenlandse politiek, de defensie, wat waterstaatszorg en hier en daar wat economisch beleid. Dat was het. Als er dan in 1795 wél een centralistisch staatsysteem komt met de Bataafse Republiek, moet het ambtenarensysteem opeens flink worden uitgebreid. Zoiets duurt jaren en kost veel geld. De meeste departementszaken werden bij de agenten (ministers) thuis gedaan. En er was geen geld. In die tijd ging de helft van de staatinkomsten op aan rente op de schuld en de andere helft ging als herstelbetaling naar Napoleon. De staatsschuld bedroeg 470 procent van het nationale inkomen.

``In Nederland was het vertrekpunt volstrekt anders dan in Frankrijk, de Duitse staten of Engeland. Daar was vanaf de late Middeleeuwen gecentraliseerd, in Nederland niet. Er is veel voor te zeggen dat Nederland de laat-middeleeuwse staatsinstellingen tot het absolute eindpunt heeft opgerekt en daar ook lang van heeft geprofiteerd, in slagvaardig lokaal bestuur.''

Maar waar komt dan het nationale gevoel vandaan dat in de tijdschriften en genootschappen zo wordt benadrukt?

Mijnhardt: ``De motor achter dat gevoel is het feit dat de Republiek tot 1715 permanent in oorlog verkeerde. Niets is zo goed voor nationaal gevoel als een oorlog. In de achttiende eeuw valt die oorlog vrijwel weg, maar dan is het fundament wel gelegd. In de communicatiesamenleving wordt dat gevoel alleen maar verder versterkt: in Groningen lezen ze over de problemen in Zeeland. De cultuur wordt genationaliseerd. Het burgerschapsideaal werd nationaal, niet langer stedelijk.''

Kloek: ``In 1772 werd voor het eerst een herdenking gehouden, van de inname van Den Briel 200 jaar eerder.''

Wat hield dat nieuwe burgerschapsideaal in? Individualisme?

Kloek: ``Individualisme is nog niet echt aan de orde, dat is meer iets van de negentiende eeuw. Men krijgt wel meer aandacht voor het feit dat een individu bepaalde eigen kenmerken heeft waar je maar beter rekening mee kunt houden. In de opvoedingsideeën zie je dat, dat je kinderen niet meer zo maar in een mal kunt persen. Dat was wel nieuw. Maar de basis van het burgerschap is juist het lid zijn van een gemeenschap.''

Mijnhardt: ``Voor het eerst is er de gedachte dat de mens een burger is van een natie en dat die natie een beetje paradoxaal een hulpmiddel is om iedereen tot dat burgerschap te brengen, om het ideaal te verspreiden. Iedereen moest een verantwoordelijk lid van de gemeenschap worden, en bij voorkeur in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. En eerlijkheid, rechtschapenheid, enzovoorts, al die traditionele elementen van een fatsoenlijk mens, horen daarbij. Niks nieuws, maar het nieuwe is het kader van de natie. Het was in feite een soort beschavingsoffensief.''

Kloek: ``En nieuw is dat iedereen tot die hogere trap van beschaving moet worden opgestuwd. Dat zie je heel duidelijk in de literatuur. Saartje Burgerhart, let op de naam, moet haar kinderen verstandig opvoeden, maar ook moet ze goed omgaan met het huispersoneel, zodat ook die deel krijgen aan de nieuwe beschaving.''

Mijnhardt: ``Daarom wordt er in de debatten een enorme nadruk gelegd op scholing, op economisch beleid en op gezondheidszorg. Die zaken werden toen al beschouwd als basisvoorwaarden voor een goede ontwikkeling.''

Kloek: ``En een betere morele ontwikkeling was ook weer goed voor de economie. Want de algemene overtuiging was dat het economisch verval te wijten was aan de luiheid van de lagere bevolkingsklassen.''

Waar komt dat nieuwe universele ideaal vandaan?

Mijnhardt: ``De motor achter deze verandering is de verandering van het algemene mensbeeld, namelijk het idee dat de mens zelf in staat is tot handelen. Dat hij zonder goddelijk ingrijpen in staat is om een hanteerbare, dragelijke en werkbare samenleving te creëren. Hugo de Groot (1583-1645) is als een van de eersten tot zo'n idee gekomen. Hij zei dat de mens op grond van alleen eigenliefde toch algemeen geldende rechtsprincipes kon formuleren, zonder goddelijke bemoeienis. Bij Hugo de Groot was dat idee nog een geleerd concept, een denkmodel, maar in de periode na 1750 raakt dat idee wijd verspreid.

``En op een iets minder abstract niveau is het de modernisering van het stadsburgerschap tot een nationaal burgerschap. Ik denk trouwens wel dat we nu toe zijn aan een herijking van deze idealen, aan een nieuw debat.''

Waarom?

Mijnhardt: ``De collectieve verantwoordelijkheid voor gezondheidszorg, onderwijs en economisch beleid ten behoeve van de verheffing van het volk is sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw steeds meer omstreden. Het marktdenken heerst, niet het idee van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Om maar eens wat te noemen: de huidige minister van Onderwijs vindt het een goede zaak dat de basisscholen worden gecomputeriseerd in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Dat mag hij vinden, maar daarmee laat hij essentiële elementen los uit een morele burgertraditie die sinds 1770 heeft bestaan.

``En het burgerideaal is in zekere zin voltooid. Een ander voorbeeld: ooit zijn de spaarbanken opgericht om mensen op te voeden, om ze te leren met geld om te gaan. Dat was een moreel burgerschapsideaal. Die banken bestaan niet meer, want iedereen kan dat nou wel. De banken zijn zijn nu allemaal commercieel.''

Kloek: ``Een ander onderdeel van het burgerschapsideaal was ingetogenheid: manifesteer je niet te veel. Dat is nu wel anders. Nu heerst: `profileer jezelf'. Praat met een student en binnen vijf minuten vallen zinnen als: `dat is goed voor mijn cv' en woorden als: `netwerken'. Het woord ambitie is nu een zeer positief geladen begrip geworden. En: je mocht binnen het oude ideaal wel rijk zijn, maar toon het liever niet te veel. Dat is ook niet meer. Of neem de seksuele moraal. Ik hoor nu op RTL-4 jongens opscheppen over hoeveel one-night-stands ze al hebben gehad. Dat is toch een grote verandering.''Mijnhardt: ``Het zal wel niet totaal veranderen, maar er is wel degelijk een herijking van het ideaal aan de gang. Als wij met ons boek dan ook nog een bredere maatschappelijke pretentie hebben, zou dat zijn dat we willen laten zien dat het morele burgerschapsideaal 200 jaar lang een constante factor is geweest en dat dat nu kennelijk uitgediend en opgebrand is. We moeten inzien dat die wereld nu aan het verdwijnen is.''