Bretonse rotsen als bron van kubisme

Aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw deed de ruige kuststrook van het Franse Bretagne geducht van zich spreken: dichters, schrijvers en vooral schilders trokken erheen in de verwachting nieuwe artistieke wegen in te slaan. Zoals Paul Cézanne, de kluizenaar van Aix-en-Provence, de Mont Saint Victoire tot het hoogste schildersideaal verklaarde, zo werd het onaanzienlijke vissersdorp Ploumanac'h aan de noordzijde van de Bretonse kust de plek waar het Franse kubisme zich manifesteerde.

Eén van de schilders was de Nederlander Conrad Kickert (1882-1965). In zijn voetspoor togen later Matthieu Wiegman en Lodewijk Schelfhout naar Bretagne. Op een fraaie tentoonstelling in de kunstzalen van het dorpje prijken van Conrad Kickert twee schilderijen prominent tussen enkele Franse groten van rond de eeuwwisseling, onder andere Georges Sabbagh, Yves Alix en Maurice Denis.

Ook de Noord-Franse schilder Henri Le Fauconnier, die na zijn bezoek aan Amsterdam in 1911 van blijvende invloed zou zijn op het Nederlandse expressionisme, is met enkele omvangrijke, intens geschilderde olieverven aanwezig. Kickert, Schelfhout en Le Fauconnier kenden elkaar en waren met elkaar bevriend. Le Fauconnier onderhield weer contacten met Jan Toorop, Leo Gestel en de dichter Albert Verwey. De tentoonstelling Regards de peintres autour de Ploumanac'h (De visies van de schilders rondom Ploumanac'h) toont verrassend aan hoe het Nederlandse kunstleven verre wortels heeft in dat vissersdorpje aan een baai van de Atlantische Oceaan.

Kickert schrijft over Ploumanac'h in zijn dagboek uit 1913: ,,Ah! die grootste weidsheid en verten, de reusachtige rotsen die van een luguber gezichtsbedrog getuigen.'' Om die `rotsen' draait het in Ploumanac'h. Op enkele vierkante kilometers liggen onwaarschijnlijk hoog gestapelde rotsblokken langs de kust. Ze bestaan uit roze graniet, dat in het avondlicht zachtrood en bijna paars begint te stralen. Het lijkt het atelier van een megalomane beeldhouwer. Het is een even indrukwekkend als verbijsterend natuurfenomeen, en daarom geen wonder dat schilders en dichters zich tot dit schouwspel voelden aangetrokken. Deze hoekige, strakke geometrische vormen van de rotspartijen inspireerden Le Fauconnier tot een heel vroege vorm van het kubisme, de belangrijkste schilderkunstige ontwikkeling van het begin van de twintigste eeuw.

Le Fauconnier en ook Kickert begonnen genoeg te krijgen van het weldadige, zuidelijk getinte maar ook zoetelijke impressionisme. Ze kozen voor een noordelijke kunst van grove structuren en vlakken, op het doek gebracht in monochrome kleuren als oker, grijs, bruin en groen. Het olieverfschilderij Le gros rocher (1913) van Kickert is hiervan een prachtig voorbeeld. Een roze-rode rots ligt, als een meteoriet, verzonken in een landschap dat is opgebouwd uit donkere, geheimzinnige vormen. Je kunt bijna denken aan slapende, pre-historische wezens.Op dit schilderij, evenals Kickerts L'anse (De baai), is geen mens te zien. Het is schilderkunst met een grote mate van abstractie, een versteend gedicht.

Het kubisme rondom Ploumanac'h is niet in de stilte van het atelier ontstaan, maar midden in het levende landschap. Een onbetwist hoogtepunt is het schilderij Ploumanac'h (1913) van Le Fauconnier. Een boom met een ronde, zwart-bruine kroon is ingeklemd tussen twee rotsblokken, weergegeven als een cirkel. Ze lijken zo van de helling te zijn gerold, de hevige aardse krachten schuilen er nog in. Het werk is puur geometrisch opgebouwd uit driehoeken en grote, donkere lijnen.

Met zijn nieuwe, donker-kubistische werk, waarin schilderkunst de krachten van de natuur uitdrukt, nam Le Fauconnier in 1911 deel aan de eerste belangwekkende tentoonstelling van de Moderne Kunstkring in Amsterdam, georganiseerd door zijn vriend Conrad Kickert. De moderne Nederlandse schilderkunst was een feit.

Het gaat in Ploumanac'h natuurlijk niet alleen om de Nederlanders. Interessant is te zien hoe een geografisch onderwerp de ontwikkelingen in de schilderkunst stuurt. De schilderijen uit omstreeks 1870-1900 tonen het rotslandschap als een arcadische, lieflijk-lichtende plaats op aarde waarin het zachtroze overheerst. In 1907 waagde Jean-Laurent Chalié zich aan een extreem schilderij: het roze werd knallend, vlammend rood. Daarna slaat het kubisme toe met zijn donkerte, geometrie en getemde lijnenspel.

De schilder Georges Sabbagh, een fenomenaal colorist, gaat in 1920 nog verder. In Ma fenêtre a Ploumanac'h reduceert hij het havengezicht tot slechts drie vormen: een driehoekige kade, het blauw-groene water als een parallellogram en in het midden de middenstijl van zijn venster als een donkere, kaarsrechte balk.

De tentoonstelling eindigt met de bijna-abstractie van Jules Zingg die woedende, krijtwitte golven laat slaan tegen rotsen. De golven verbeeldt hij als vloeiende vormen, de rotskust is een rechthoekig blok rood graniet. Ook Zingg hield een dagboek bij, waarin hij rept over de `onrust en leegte' van het landschap, de `intense poëzie van de aarde.' Zee en kust, water en rots: in Ploumanac'h is een landschappelijk drama schilderkunst geworden.

Tentoonstelling: Regards de Peintres autour de Ploumanac'h 1870-1930. T/m 15 september in: La Maison des Traouïe, Carrefour de la Clarté, Ploumanac'h, Peros-Guirec, Frankrijk. Di-zo 14.00u-19.00u. Catalogus fl 30.-.