Tussen de raspen en klassieken

De negentiende-eeuwse kunstenares Rosa Bonheur was tijdens haar leven wereldberoemd. Ze dankte die faam vooral aan haar grote, muurdekkende schilderijen van steigerende paarden en zwoegende stieren, die bij de gegoede, veehoudende klassen van die tijd gretig aftrek vonden. Niemand kon dieren zo natuurgetrouw en aaibaar schilderen als zij. Om dat resultaat te verkrijgen werkte ze met levende paarden, herten, buffels en leeuwen als model, die ze in hokken in haar atelier hield. Ze was een nogal excentrieke verschijning, ze rookte sigaren, droeg een broek in een tijd dat bijna geen enkele vrouw dat deed en leefde samen met een vriendin. De schrijfster George Sand was haar grote voorbeeld.

Tegenwoordig is Rosa Bonheur vrijwel vergeten. Hoogstens kun je nog een restje van haar eigenzinnige leven opsnuiven in haar als museum ingerichte atelier in kasteel By, bij Parijs. Behalve gebeeldhouwde paardenkoppen, opgezette vogels en een krokodil aan de muur, is daar ook een indianenkostuum te zien uit een show van Buffalo Bill, de westernheld die zich in 1899 door Bonheur heeft laten portretteren. Maar de échte hoogtepunten in de collectie zijn de twee permissions de travestissement uit 1851 en 1857. Hierin wordt Bonheur toestemming verleend zich een half jaar `om reden van gezondheid' als man te kleden, als ze dat maar niet bij bals en theatervoorstellingen doet.

Geesten

Het atelier van Rosa Bonheur is een van de dertig huizen van kunstenaars binnen een straal van duizend kilometer rond Amsterdam die kunsthistorica en -critica Ella Reitsma heeft geportretteerd in Het huis van de kunstenaar. Herinneringen aan een leven. Het boek – met foto's van Hans van den Boogaard die soms aan echte stillevens doen denken – bevat een even vermakelijke als interessante verzameling levensverhalen van bekende en (inmiddels) onbekende schilders en beeldhouwers uit de negentiende en twintigste eeuw.

Reitsma wilde niet zomaar een aantal kunstenaarshuizen beschrijven, maar ook iets van toen tot leven wekken. Daartoe koos ze voornamelijk huizen die zo authentiek mogelijk zijn gebleven. Van bijna iedere bladzijde van het boek sprankelen dan ook de geesten van het verleden en de – al dan niet gefnuikte – ambities van de door haar behandelde kunstenaars. Een mooi voorbeeld daarvan is de Franse beeldhouwer Henri Bouchard, die in de eerste dertig jaar van de twintigste eeuw een gevierd figuratief beeldhouwer was, maar door zijn pro-Duitse opstelling tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij na 1945 verguisd. Toen Bouchard in 1960 oud en eenzaam stierf, hielden zijn zoon en schoondochter zijn atelier in Parijs in stand. Op die manier zijn ze nog altijd bezig Bouchard te rehabiliteren en hem postuum de plaats binnen de kunstgeschiedenis te bezorgen die hij in hun ogen verdient.

Op registrerende wijze beschrijft Reitsma wat ze aantreft als ze het atelier van Bouchard binnengaat en de meer dan honderd beelden ziet die er dicht op elkaar gepakt staan: `Tussen die wirwar aan beelden staan de boetseerbokken en ligt het gereedschap: raspen, vijlen, hamers, beitels, spatels en het waterpompje om de klei nat te houden.' Toch begrijp je meteen wat zij bedoelt met die authenticiteit van zo'n kunstenaarshuis. Het is zelfs alsof de kunstenaar zo weer kan komen binnenlopen om aan het werk te gaan.

Vooral de `petites histoires' in Het huis van de kunstenaar zijn de moeite van het lezen waard. Zo kom je te weten dat de schilder Gustave Moreau zijn vriendin vijfentwintig jaar lang (tot aan haar dood) verborgen heeft gehouden, omdat hij niet wilde dat zijn geadoreerde moeder er achter zou komen dat hij ook nog van een andere vrouw hield. Het zegt veel over de angsten van de schilder, die naam maakte met zijn mythologische voorstellingen.

Moreau kon overigens moeilijk afstand doen van zijn schilderijen. Toen hij overleed, liet hij veertienduizend werken na. Wèl had hij tijdens zijn leven bedacht dat er voor deze erfenis een museum moest worden opgericht, het liefst in het huis van diezelfde geliefde moeder. Dankzij de inspanningen van zijn leerling en vriend Henri Rupp, die er zijn eigen vermogen in stak, is dit museum er in 1903, vier jaar na de dood van de schilder, inderdaad gekomen.

Ondergang

Mensen als de zoon en schoondochter van Bouchard en de leerling van Moreau zijn belangrijke figuranten in Reitsma's boek. Want alleen door hun inspanningen is het gelukt het huis van de kunstenaar in zijn oorspronkelijke staat te handhaven of het te redden van de ondergang.

Fascinerender nog is de levensloop van de Belgische megalomane schilder Antoine Wiertz, die tijdens zijn leven op handen werd gedragen door de haute bourgeoisie en de Europese adel. Bij zijn begrafenis in 1865 liep een groot deel van hen dan ook achter zijn baar. Net als Bonheur dacht Wiertz in het groot: hij maakte schilderijen van elf meter hoog en zeven meter breed met voorstellingen uit de klassieke oudheid. En omdat hij vooruitliep op de geschiedenis, bouwde hij voor zichzelf een enorm, dertien meter hoog atelier in Brussel dat na zijn dood een museum moest worden. Dat is ook gebeurd en tot aan de Eerste Wereldoorlog liep het er storm. Maar tegenwoordig komt er vrijwel niemand meer.

Reitsma schenkt verder aandacht aan de lotgevallen en huizen van `blijvende' beroemdheden als James Ensor, Vincent van Gogh, Constant Permeke, W.H. Mesdag, Emil Nolde, Franz von Stück en Vanessa Bell. En ook hier kom je tal van nieuwe feiten te weten en laat zij zien hoe grillig hun levens zijn verlopen. Vaak zijn het ingrediënten voor menige goede roman. En dat is dan ook de kracht van Reitsma's boek, dat een waardig en boeiend eerbetoon is aan deze kunstenaars uit het nabije verleden.

Ella Reitsma: Het huis van de kunstenaar. Herinneringen aan een leven. Met foto's van Hans van den Boogaard. Amsterdam University Press/Salomé, 200 blz. ƒ65,-