Ruwe kompasnaald

,,Mensen, ik heb niet veel vanavond. Ik kom alleen langs om te zien waar we ons in het universum bevinden. (..) Nee, de deur is nog niet in het slot gesprongen. Er zit nog een haakje op. (..) Er is een aantal mogelijkheden ter tafel geweest, waarvan de indruk der informateurs is dat er mogelijk iets bruikbaars tussen zit. (..) Als ik de situatie moet samenvatten, zeg ik: de motten vliegen nog rond de lamp. Maar wees er voorzichtig mee, mensen.''

Het zijn uitspraken uit de kabinetsformatie van 1981, gedaan door de zondag op 83-jarige leeftijd overleden G. (Gijs) van der Wiel, hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst tussen 1968 en 1983. Die uitspraken, ontleend aan het boekje Van de hoed en de rand dat de Haagse parlementaire journalisten hem in 1983 bij zijn pensionering aanboden, zeiden op zichzelf weinig maar ze zeiden tegelijkertijd veel over de omgang van Van der Wiel met journalisten, bij wie hij ook als hij weinig kon of mocht vertellen, zoals vaak het geval was, toch populair wist te blijven.

Zeezeiler, massieve man, bulderende lach, soms in plaats van woorden een duidelijke lichaamstaal, als RVD-chef woordvoerder en dienaar van zes premiers (Zijlsta, De Jong, Biesheuvel, Den Uyl, Van Agt en Lubbers) nooit te beroerd om een bedekte tip te geven aan journalisten die iets op het spoor dachten te zijn (,,dat zou ik niet schrijven'', ,,ja, aan dat lijntje moest je maar wat verder trekken''). In ingewikkelde en langdurige kabinetsformaties fungeerde zulke tersluikse coaching door Van der Wiel voor de media vaak als een soort ruwe kompasnaald.

Van der Wiel was, na een hts-opleiding en een tijdens de oorlog afgebroken studie elektrotechniek in Delft, in 1946 hoofd van de filmafdeling van de RVD geworden. Hij zou er in 1952 adjunct-directeur en in 1968 hoofddirecteur en perschef van de minister-president en de leden van het koninklijk huis worden. In die hoedanigheid hielp hij de RVD te professionaliseren en – vooral in de jaren zeventig – de overheidsvoorlichting te moderniseren. Dat Nederland een Wet op de openbaarheid van bestuur kreeg (in 1978, na voorbereidend werk van een commissie-Biesheuvel) was mede aan hem te danken.

Een belangrijke rol speelde Van der Wiel voor het ontstaan van de wekelijkse persconferentie na de ministerraad. Hij adviseerde premier De Jong (1967-'71), die klaagde over journalisten die hem op vrijdagen tijdens het diner stoorden met telefonades, om dan voortaan maar wekelijks een persconferentie geven. En mochten journalisten veel vragen en een premier weinig antwoorden hebben, dan riep Van der Wiel desnoods kalmpjes, zoals in 1978, met premier Van Agt naast zich: ,,Mensen, ophouden. Je kunt van een kikker geen veren plukken.''