Ruilverkavelend op weg naar beschaving

Na de oorlog werd Nederland ingrijpend herschikt. Ruilverkaveling moest de landbouw moderniseren.

`Kneedbaar landschap' reconstrueert hoe op de weilanden de stad en `de wereldmarkt' oprukten.

Deze foto kun je ruiken. De warme koeienlucht, en de stamppot die de boerenfamilie hier aan tafel in de stal net op heeft. Een van de boerinnen veegt met een stukje brood nog net haar soepbord leeg. Je hoort ook het gesnuif en gezucht van het vee, de korte zinnen waarin de lopende zaken onder de maaltijd zijn besproken. Het tafereel is even alledaags als intiem. Zonder dat deze mensen het beseften, werd er een tijdsbeeld vastgelegd dat op dat moment – de jaren vijftig – al aan het verdwijnen was.

Dit is het volk uit de titel van Kneedbaar land, kneedbaar volk, het proefschrift van Gerrie Andela — zelf boerendochter, later kunsthistorica en nu gepromoveerd aan het Instituut voor Kunst- en Architectuurgeschiedenis van de Universiteit Groningen — dat in een bijzonder aantrekkelijke, mooi geïllustreerde handelseditie is verschenen. Het is een belangrijk boek, dat aan de hand van minutieus onderzoek en uitvoerig beschreven praktijkgevallen inzicht biedt in de vraag hoe het komt dat Nederland eruit ziet zoals het eruit ziet — en dat is verkaveld.

De ruilverkaveling was in eerste aanleg bedoeld om de landbouw te moderniseren.Het traditionele kleinschalige boerenland was arbeidsintensief, daarmee weinig rendabel, en na de oorlog werd de situatie alleen maar slechter: bijna tien procent van de landbouwgrond was onbruikbaar en veel wegen waren onbegaanbaar geworden. `Wil men niet dat de landbouw eeuwigdurend steun nodig zal hebben, dan zullen de boeren moeten kunnen produceren voor de wereldmarkt', schreef Sicco Mansholt, minister van landbouw en pleitbezorger van de rationalisatie, in 1947. `Het zal dus nodig zijn op grote schaal herverkavelingswerkzaamheden uit te voeren.'

Volksverheffing

Dus werden van overheidswege kronkelende beken rechtgetrokken, wegen verbreed en verhard, akkers vergroot en talloze `obstakels' geruimd, zoals bomen, houtwallen, hagen en meidoornheggen. Voor de Tweede Wereldoorlog ging dat nog aarzelend, maar na de bevrijding werd het boerenland planmatig, met steeds grotere inzet van geld en machines (in 1955 had Nederland 220.000 werkpaarden, tien jaar later de helft) onder handen genomen. Nederland kreeg een efficiënt, maar saai productielandschap.

In de jaren vijftig brak aan wat je de tweede fase zou kunnen noemen: er kwam een sociale component bij. De cultuurtechnische werken waren behalve op verhoging van productie, ook op volksverheffing gericht. De ruilverkaveling werd een algeheel beschavingsoffensief. `Het hele boerengezin werd object van planning', schrijft Andela. De boerin kreeg voorlichting over licht en lucht en moderne hygiëne, geholpen door de aanleg van elektriciteit en stromend water. Niet meer koken en eten in de stal, je niet meer wassen in de deel, maar onder de douche. Andela herinnert zich nog hoe ze als kind speelde met de grote kartonnen doos waarin de nieuwe boiler was geleverd. `De tobbe, de gas- en petroleumlampen, de zwakstroomlampjes en de dieselgeneratoren hadden afgedaan.' Gaandeweg gingen de cursussen voor boerinnen meer over de prettige kanten van het leven: zelfmaakmode, kleurgebruik in de woning, goede manieren van gastvrouw en gast.

Koningin Juliana

Niet alleen in de eigen regio, maar ook elders in het land werd de voortschrijdende modernisering op de voet gevolgd. In het Gelders riviergebied bijvoorbeeld, het Land van Maas en Waal, planden toerbusbedrijven onderling hun routes om te voorkomen dat ze elkaar hoefden te passeren op de toch nog smalle landweg, en in 1956 kwam koningin Juliana er op bezoek. In 1953 wees de Landbouwvoorlichtingsdienst naar het Franse voorbeeld van villages témoines twee modeldorpen aan, Rottevalle bij Drachten en Kerkhoven bij Oisterwijk. Twee maanden per jaar konden bezoekers daar die nieuwerwetsigheden in de praktijk zien, zoals loopstallen en de uitgebreide kippen- en varkensstallen.

De hoogtijdagen van de ruilverkaveling waren de jaren zestig. De welvaart was inmiddels zo toegenomen dat het sociale programma werd afgebouwd, terwijl de rationalisatie van het boerenland een vlucht nam. In datzelfde decennium begon het tij te keren. Tot zijn schrik ontdekte de landbouw dat ook andere belangenpartijen zeggenschap kregen over het platteland. Verdedigers van natuur en milieu verzetten zich tegen wat zij zagen als `utiliteitsvandalisme'. Het landschap was onmiskenbaar uniformer en vlakker geworden en de afzonderlijke streken gingen op elkaar lijken, met door het hele land precies dezelfde nieuwe boerderijen. Bovendien werd het nut van de hele operatie in twijfel getrokken: de boeren produceerden weliswaar meer, maar door bijvoorbeeld het Europese melkquotum verdiende Nederland er amper aan.

Met vooruitziende blik had Willem Drees, toen directeur van de rijksbegroting, al midden jaren vijftig gezegd dat de ruilverkaveling wat hem betreft de gemeenschap teveel kostte, aangezien de baten vooral ten goede kwamen aan de individuele boer. Gaf de overheid in 1950 een bedrag van 79 miljoen uit aan cultuurtechnische werken, voornamelijk de ruilverkaveling, in 1968 was dat gestegen naar 317 miljoen. Andela: `Behalve de rationele en emotionele weerstand van de natuurbeschermers, was er nu ook onderbouwde economische kritiek op het ruilverkavelingsbeleid.'

Daar kwam bij dat de behoefte aan grond voor woningen en recreatie toenam. Al in 1956 schreef de Cultuurtechnische Dienst, die de ruilverkaveling uitvoerde: `De stad verovert het land.' Met de komst van de Wet op de Ruimtelijke ordening in 1965 werd de landbouw net als de huizenbouw onderdeel van een algemeen ruimtelijk beleid. In de Tweede Nota over de ruimtelijke ordening uit 1967 was zelfs niet meer sprake van `agrarisch' gebied, maar van `landelijk' gebied: `Een welvarende, mobiele bevolking in een overwegend stedelijke samenleving vraagt niet alleen om goed ingerichte stedelijke gebieden, maar ook om een goed verzorgd landschap, waarin zij onder meer haar gevarieerde recreatiemogelijkheden kan vinden.'

De landbouw was definitief zijn autonomie kwijt. De agrariër moest van toen af aan de natuurbeschermer en de recreant dulden – niet naast zich maar boven zich. Dat is de paradox die het Nederlandse ruimtegebruik nu tekent: ruim zestig procent van de grond is landbouwgrond, terwijl het vooral anderen dan de landbouwers zijn die daar zeggenschap over hebben. Door de oprukkende verstedelijking enerzijds en de inrichting van `nieuwe natuur' anderzijds ondergaat Nederland nu opnieuw een transformatie, een die in feite net zo ingrijpend is als de naoorlogse ruilverkaveling – met dat verschil dat overheid en planologen niet meer met strakke hand de zaken van boven af sturen, maar er hijgend achteraan lopen.

Burenruzies

Zelfs bij dit indrukwekkende boek van Gerrie Andela zijn een paar kanttekeningen te plaatsen. Zo raakt de leek de draad wel eens kwijt door de gedetailleerde beschrijvingen, de vele nota's en commissies. Bij de verweving van een thematische en een chronologische verteltrant is het ook goed opletten geblazen – al moet daar meteen aan worden toegevoegd dat academisch Nederland mocht wensen dat er meer van deze toegankelijke proefschriften werden geschreven. Het stramien biedt houvast, temeer omdat de thema's van de opeenvolgende hoofdstukken worden belicht aan de hand van praktijkgevallen.

Jammer, dat er tussen de nota's, commissies en meerjarenplannen weinig ruimte is gelaten voor de menselijke drama's waarmee deze ingrijpende herschikking van Nederland gepaard is gegaan. Want al werden veel boeren er beter van, zowel in hun bedrijfsvoering als in hun leefomstandigheden, de ruilverkaveling greep diep in in het leven van velen. De burenruzies alleen al! Oude vrienden spraken decennia lang niet meer met elkaar als de een zich te kort gedaan voelde ten opzichte van de ander. Sommigen moesten hun bedrijf beëindigen, anderen werden uitverkoren om naar betere grond te verhuizen en werden door de achterblijvers voor deserteurs uitgemaakt.

We krijgen één glimp van zo'n sociaal drama, wanneer Andela een boer uit het Land van Maas en Waal over zijn dorpsgenoten citeert: `Als je hen 's zondags uit de kerk desgevraagd vertelde dat het je goed ging in de polder, zeiden ze: `da's geen wonder, bij jullie wordt de subsidie er met schuppen in gegooid; op die manier kan iedereen boer worden en boer blijven.'

Gerrie Andela: Kneedbaar landschap, kneedbaar volk. De heroÏsche jaren van de ruilverkaveling in Nederland. Thoth, 271 blz. ƒ59,50