Oprechtheid is de eerste vereiste

Hans Warren publiceert sinds 1981 zijn opzienbarende dagboeken. ,,Het grootste liefdesgeluk kan de volgende dag omslaan in moordlust.'

Een dichter die ook een toegewijd dagboekschrijver is, en die dit najaar een halve eeuw lang literaire kritieken schrijft voor de Provinciale Zeeuwse Courant lopen deze personages elkaar niet in de weg? Hans Warren (Borssele, 1921) aarzelt geen ogenblik. ,,Nee', zegt hij. ,,De drie gedaanten waarin ik optreed versterken en helpen elkaar juist. Ik beschouw Geheim dagboek, waaraan ik in 1942 als twintigjarige jongeman begon te schrijven, als mijn werkplaats. Aanzetten tot gedichten noteer ik erin, korte essays over literaire werken en over mijn verzameling etnografische kunstvoorwerpen afkomstig uit alle windstreken. En natuurlijk persoonlijke voorvallen, gebeurtenissen van elke dag, liefdes, maar ook de eenzaamheid, geluk en eveneens ongeluk. Ik wil openhartig zijn op het scherp van de snede. En uiteindelijk, bemerk ik nu, behelst het dagboek mijn hele leven, van de glanzende vitaliteit van mijn jonge jaren tot mijn fysieke aftakeling en verval van nu. Alle facetten van het bestaan vragen erom beschreven te worden.'

Hans Warren bewoont, samen met levensgezel Mario Molegraaf, twee via onvermoede deuren en haakse gangetjes met elkaar verbonden, zwartgeverfde landarbeidershuisjes in het buurtschap De Groe vlakbij Goes. Reusachtige, ruisende populieren bieden diepe schaduw. De zon gloeit achter de bladeren, binnen is het koel en vooral stil. Warren woont er al vele decennia. Hier wordt een leven ver van de woelige buitenwereld gesleten, overeenkomstig het motto van Franz Kafka dat Warren aan het eerste deel van de serie dagboeken meegaf: `Es ist nicht notwendig, dasz du aus dem Haus gehst. Bleib bei deinem Tisch und horche.'

Zojuist is een bloemlezing verschenen uit vijftien delen Geheim dagboek, veelbetekenend Om het behoud der eenzaamheid geheten. Eertijds, in het begin, kon de jonge Warren niet vermoeden dat hij met de publicatie van zijn dagboeken aan de Nederlandse literatuur een ongewone en vaak opzienbarende reeks toevoegde. In 1981 verscheen het eerste deel dat teruggaat naar de jaren veertig; het laatste deel bestrijkt de jaren 1982-1983, juist de tijd dat Warren het `geheim' van zijn dagboeken prijsgaf. Buitenlandse voorbeelden koesterde hij volop: André Gide en Julien Green. In Nederland was er geen voorganger.

Is uw schrijfhouding veranderd sinds u wist dat u de dagboeken openbaar ging maken?

,,Mijn uitgangspunt is altijd een vorm van genadeloosheid en ontmaskering geweest, jegens anderen maar vooral ook tegenover mezelf. Oprechtheid is de allereerste vereiste.Ik denk dat daarom veel lezers zich in de dagboekaantekeningen herkennen. Ze zien iets van hun eigen leven terug. Die houding is hopelijk onveranderd gebleven. Het bijhouden van het dagboek is, na al die jaren, een tweede natuur, niet meer te beïnvloeden door het besef van uitgave. Ik vind niets zo erg als vervalste dagboeken, waarin de auteur zich met veren en lauweren opschikt om goede sier te maken of zichzelf te verbergen. Ik ben me ervan bewust dat ik mensen, die in mijn dagboeken voorkomen, pijn heb gedaan of schade berokkend. Maar nooit willens of wetens. Observaties en particuliere aangelegenheden heb ik altijd een plaats gegeven in mijn gedachten over iemand, mijn overwegingen of twijfel. Er is altijd die bedding, die reflectie.

,,Bij nadere lezing blijkt het dagboek een sterke mate van ritmiek te bezitten, dat ontdekte ik tijdens het samenstellen van deze bloemlezing. Ontluisterende passages van afkeer en zelfs weerzin, en dat niet in de laatste plaats jegens mezelf, worden afgewisseld met schuldeloze natuurlyriek. Ik schrik zelf van mijn genadeloosheid. Het verbijsterende verslag bijvoorbeeld over abortus op 31 augustus 1952. Of het relaas over de euthanasie van mijn moeder uit het voorjaar van 1951.'

Ontstellend vond ik de scène waarin u, met klinische afstandelijkheid, beschrijft hoe u een van uw duiven trapt en mishandelt, uiteindelijk doodt.

,,Ja. Ik was een jongen toen ik dat deed. Later moest ik die wrok en woede, dat nijpende besef van onvrede dat in me woelde, van me af schrijven. Het lage, het gore en verachtelijke horen ook bij de mens. Ik heb me daarvan nooit kunnen distantiëren. Helaas misschien, het is zo. Het grootste liefdesgeluk, de extase, kan de volgende dag omslaan in moordlust.'

Nog dagelijks schrijft Warren met de vulpen in scherp doktershandschrift in de cahiers, die weggeborgen liggen in een lade van zijn bureau. Momenteel werkt hij aan cahier nummer 74, waaraan hij op 23 juni jongstleden is begonnen. Er zijn ook weleens jaren verstreken waarin Warren niet schreef. In de bloemlezing is het jaar 1969 bijvoorbeeld met slechts twee entrees vertegenwoordigd, nog geen halve bladzijde lang.

Waarom?

,,In die tijd was ik ervan overtuigd dat alles in mijn leven mislukte. Mijn huwelijk ging kapot, ik voelde me onderschat in mijn dichterschap, ik leed aan een destructieve drift om te drinken en rond te sloeren met jongens in achterbuurten, zoals van Parijs. Ik zag geen enkele aanleiding meer om te werken. `Mislukt is mislukt,' dacht ik. `En wat geeft het?' Een gedicht is een ongevraagd geschenk aan de wereld. Want wat beklijft er? Wie leest Marsman nog of Ter Braak? En wie voor zijn plezier Lucebert? Kon Roland Holst vermoeden dat hij na zijn dood verguisd zou worden? Slauerhoff is een van de heel weinigen die de vergetelheid weerstaat. Poëzie moet uit noodzaak geboren worden. Als je het kunt laten, begin er dan niet aan. Er is zoveel routine in de dichtkunst. Schrijf alleen als er dwingende noodzaak is.'

U publiceert al een halve eeuw literaire kritieken in de Zeeuwse Courant. Wat maakt een boek tot een goed boek?

,,De stem van de schrijver, de toon. Ik wil de persoonlijkheid van de auteur achter het boek waarnemen. In de keuze tussen vorm of vent sta ik aan de kant van de vent. Een goed boek herken je meteen. Het is goed vanaf de eerste bladzijde. Boeken die pas vanaf bladzijde honderdtwaalf op gang komen, zijn niet goed. Ik proef een boek zoals je een maaltijd proeft. Ik heb een hekel aan dikke, overbodige romans en heb een sterke voorkeur voor poëzie. Gek trouwens dat sommige aspecten van het leven in de dichtkunst nauwelijks aan de orde komen. Wat ik mis in de Nederlandse poëzie zijn gedichten over het gezinsleven, en dan vooral over de gelukkige momenten daarvan. Over vaders en kinderen, moeders en zonen. Ik heb drie kinderen, twee dochters en een zoon. Sinds de echtscheiding heb ik met hen weinig contact. Mijn oudste dochter zou ik niet eens herkennen als ik haar op straat tegenkwam, ze is nu achter in de veertig. Bij de scheiding koos ze onverbiddelijk voor haar moeder. Dat doet verdriet en pijn. Vaderschap is geen vanzelfsprekende liefde, het is een betwiste, bevochten band. Daarom was het voor mij een grote verrassing om hierover in een debuutroman te lezen, `t Is zo weer nacht van Joyce Roodnat, want er rust een taboe op dit onderwerp. Het lijkt of de Nederlandse schrijvers niets afweten van de hemel of hel die een gezin kan vormen.

,,Mijn dagboeken zijn bij nadere beschouwing ook een zoektocht naar mijn kinderen, of noem het anders een verantwoording die ik afleg over mijn levenshouding. Mij is vanwege Geheim dagboek vaak roddelzucht verweten. Het laat me koud. Als mijn werk vergeefs mocht blijken te zijn na mijn dood, kan de toekomstige biograaf van bijvoorbeeld Gerrit Komrij of Ida Gerhardt er altijd nog veel materiaal uit putten. Ik heb hen gekend en onze ontmoetingen genoteerd.'

In `Geheim dagboek' schrijft u op 22 oktober 1943 over een jeugdliefde die u mist: `Ik sta heel onzuiver, ik draai en bedrieg haar. Zij bedriegt mij totaal niet, en ik schaam me als ik dat overdenk.' En in 1951 staat te lezen over het bijhouden van een dagboek: `Waar houdt eerlijkheid op, wordt het exhibitionisme? Of is het een afweermiddel, wil ik weerzin opwekken?' De titel `Geheim dagboek' had evengoed `Dagboek der schaamte' kunnen zijn. Als er een woord vaak in voorkomt, is het dat laatste wel.

,,Weerzin jegens mezelf kende ik al vroeg. In mijn geboortedorp Borssele groeide ik in de vooroorlogse jaren eenzaam op. Ik doe daar niet klagerig over. Er was een hechte boerengemeenschap. Daarbuiten had je de notaris, de dominee en mijn vader, die waterbouwkundige was. De notaris was ongehuwd, de kinderen van de dominee waren het huis uit. Bleef ik over. Een eenzelvige, slungelachtige jongen met bril op die van gedichten hield, graag in de natuur verbleef. Ik droeg geen boezeroen en pet. Ik speelde vooral met meisjes. Men dacht dat ik een meidengek was. Dat was niet zo. Al jong voelde ik me aangetrokken tot jongenslichamen. Dat betekent overigens niet dat de schoonheid van vrouwen me onberoerd laat, integendeel. Een mooie vrouw kan in mij ontstellend veel begeerte oproepen. De ontdekking van mijn homoseksualiteit vergrootte die eenzaamheid alleen maar...'

... en u vluchtte naar Griekenland?

,,Nou, naar Griekenland ben ik pas veel later gegaan. Ik houd niet van reizen. Maar de Zeeuwse eilanden werden me te benauwd. In de mediterrane landen vond ik een openheid jegens homoseksualiteit die bevrijdend was. Vanaf dat ogenblik vatte ik een grote liefde op voor de Griekse cultuur. Mario en ik hebben Kaváfis in het Nederlands vertaald, nu vertalen we samen de hele Plato. We bereiden een nieuwe Meulenhoffs Dagkalender van de Nederlandse Poëzie voor met als thema de Oudheid. Wat mij daarin aantrekt is het ogenschijnlijk eeuwigjeugdige. De Griekse eilanden zijn zonnig en heidens. Een van mijn dichtbundels heet Tussen hybris en vergaan. Misschien is dat wel de mooiste definitie van de Griekse dichtkunst: overmoed en doodsangst. Veel Griekse dichters maakten verzen op het thema van de oude man verliefd op de jongeling. Over het dramatische contrast tussen het oude, afgeleefde lichaam en het glanzend-jonge.'

Uw levensgezel is veertig jaar jonger dan u.

,,Ik ben me er meer dan pijnlijk van bewust dat ouderdom komt met gebreken. Ik kan slecht lopen, mijn handen krommen zich. Kijk naar mijn hoofd: plekken van huidkanker. Ik heb zo buitensporig gedronken in mijn leven, dat mijn lever vervaarlijk opzwelt. Ik mag geen druppel wijn meer, ik vind dat vreselijk, maar ik aanvaard die straf. Het is vreemd wat de naderende dood met iemand doet. Gelukkig is mijn geest nog helder. Het is deze geest die mij elke dag voor raadsels stelt en verwondering oproept. Hoe kan het dat ik me een stem van tientallen jaren terug kan herinneren, de sensatie opnieuw voel van iemands aanwezigheid? De kracht van de menselijke geest is onwaarschijnlijk groot.'

Dit najaar verschijnt er, ter gelegenheid van uw tachtigste verjaardag, een nieuwe dichtbundel: `Een stip op de wereldkaart'.

,,Ja, die gaat over de band tussen mij en de kunstvoorwerpen rondom ons in dit huis. Ze hebben allemaal een verhaal. Kijk ik bijvoorbeeld naar de boeddha op mijn werktafel of die wajangpop daar, dan herinner ik me waar we hem kochten, de herkomst en kunsthistorische betekenis. Het is of de hele wereld zich hier heeft verenigd, als de navel der aarde.'

De ontwerper van `Geheim dagboek' plaatste op elk deel een foto uit de beschreven tijd. Dat geeft een veelzeggende reeks portretten. Alsof u deel na deel de ouderdom tegemoet snelt.

,,Ik weet ook wat ik zie als ik in de spiegel kijk. Mario en ik proberen die ontreddering zo goed mogelijk op te vangen. Laatst struikelde ik en viel met mijn gezicht en mijn bril op de wc-bril. Overal blauwe plekken. Het was ontluisterend. Ik ben niet bang voor de dood, wel voor die fysieke neerval. Ik houd van schoonheid. Van mensen, van literatuur, van kunst. Ik zal tot op het laatst een levensgenieter blijven. Ik blijf het geluk steeds zoeken. Dit huis vlakbij Kloetinge is de wereld van Mario en mij. Hier kan ik de eenzaamheid behouden. Als er ongewenste mensen in mijn tuin opduiken, verberg ik me. Ik ben een oester.'

Hans Warren: Om het behoud der eenzaamheid. Uitg. Bert Bakker. Prijs ƒ45,-