Mijn vader 19

Mijn vader, geboren in 1903, deelde een geheim met ons. Het was een spelletjesgeheim. Tijdens de zomervakantie speelden heel veel kinderen op straat. We speelden bussietrap, ik verklaar de oorlog aan..., bruiloftje, buut vrij, pijlloossie, vadertje en moedertje, tienteren, en nog veel meer spelletjes waar iedere streek een eigen naam voor had.

Op mooie zomeravonden zat mijn moeder meestal in de tuin een sok te stoppen, en stond mijn vader voor het huis. Hij kletste wat met mannen die in de straat woonden, en zei tegen iedereen die langsfietste `goeienavond, lekker weertje'. Maar als het onweer losbarstte en het hard ging regenen gingen we met alle kinderen naar binnen en fluisterden tegen m'n vader dat we het schoteltjesspelletje gingen doen. Op tafel legden we drie omgekeerde schoteltjes. Mijn vader liet met een royaal gebaar een zilveren gulden zien. ,,Ik leg deze gulden onder een van de schoteltjes,'' zei hij, ,,wie drie keer achter elkaar raadt waar hij ligt mag hem hebben.''

Wij werden allemaal naar de gang gestuurd. De meesten raadden niet waar de gulden lag. Maar wij, zijn jongste kinderen, raadden het altijd. Als hij zijn sigaar links, rechts, of in het midden van zijn mond had wisten we waar de gulden lag. Soms deed hij zijn sigaar tussen zijn vingers. Dan wisten we dat er helemaal geen gulden lag. Dat de gulden weer in de vestzak van mijn vader zat. Dat het spel afgelopen was.