Het offerdier

Rudy Kousbroek bespreekt deze zomer een aantal dierenfoto's. Deze week de vijfde: een doodgeschoten buffel.

Dit is een wonderlijke foto. Ik heb toch al een hekel aan jagen, maar hier komt er bij dat het jachttrofee er voor mij uitziet als een tam dier. Wat dit tafereel bij mij oproept is iemand die met een geweer de wei inloopt en een Friese melkkoe doodschiet, om zich vervolgens triomfantelijk met het slachtoffer van zijn heldendaad te laten fotograferen.

Het gedode dier ziet er uit als een jonge waterbuffel, een karbouw zoals ik er in mijn jeugd talloze heb gezien - grote goedmoedige beesten badend in de rivier, of gewoon grazend langs de weg, vol vertrouwen gehoorzamend aan een klein inlands jongetje dat ernaast loopt of erop zit. Het is een soort oerbeeld van het Indische landschap, al vaak vastgelegd; ik heb er verschillende foto's van, waaronder van mijzelf als kind op de rug van dit dier. Verreweg de aandoenlijkste foto komt overigens uit China, waar de karbouw ook inheems is, voorstellend een jongetje dat tegen de flank van zijn buffel in slaap is gevallen (Gang Feng Wang, `Tending Buffalo', 1982). Die foto is een blik in het paradijs, in de wereld van vóór de zondeval, toen de dieren nog praten konden.

De karbouw op die Chinese foto is niet alleen het zinnebeeld van trouwhartigheid en onschuld, maar ook van bescherming. Het kind is daar veilig, er kan hem niets overkomen. Het beeldrijm tussen het beschermde kind en de moordende jager op de twee foto's is aangrijpend, hun positie is spiegelbeeldig en de dieren verschillen alleen in leeftijd; verder is het hetzelfde vredige beest met de zachte snoet (witte kin en bovenlip) zoals ik er zelf zo vaak geaaid heb; ik weet nog hoe dat voelde in je hand, ik weet nog hoe hun adem rook, hoe hun snuiven klonk, ik zie die berustende blik van onder de half geloken oogleden.

Wat klopt er niet? Van alles! Het gedode dier kan natuurlijk geen tamme karbouw zijn, het moet hier gaan om zijn wilde bloedverwant, de banteng, `dit groote schoone dier, dat Java, Borneo en Bali bewoont, maar op Sumatra niet voorkomt'. Zie je wel, dat klopt dus ook al niet, want deze foto is genomen op Sumatra. Ik vond hem in de verzameling van het KITLV, in een album daterend van tussen de wereldoorlogen, vol bloedstollende jachtfoto's genomen op Sumatra.

Nog meer dat niet klopt: Karel van het Reve heeft er eens op gewezen dat volgens de biologen de bruine schutkleur van het hert dient om hem onzichtbaar te maken voor zijn vijanden, terwijl het witte achterste bedoeld is voor het kalf. In het al vaker geciteerde Dierenleven in Indonesië van Delsman staat het er bijna letterlijk: `Bij het volgen van de moeder dient de witte vlek op de achterdelen van deze laatste, evenals bij de bantengs, als `signaalvlek'. ' Op de hier afgedrukte foto zou er iets van te zien moeten zijn, vooral waar het wit van de billen bij de banteng `langs de binnenzijde der pooten doorloopt'. Daar is hier niets van te zien. Wel de witte sokken (ook weer zo'n evolutionair raadsel: waar dienen die voor? Meestal zijn ze niet eens te zien omdat de poten net tot ongeveer die hoogte met modder zijn bedekt). Dus toch een karbouw? Een verwilderd exemplaar? Daarvan waren er inderdaad op Sumatra, de kabau djalang waar Westenenk over schrijft, die grote schade aanricht en die redelijkerwijze moet worden afgeschoten. Overigens nog geen jachttrofee om trots op te zijn.

Zoals ik wel vaker heb geschreven is de liefde voor de jacht iets dat mij hopeloos scheidt van een wereld die mij in andere opzichten zo dierbaar is: de Indische. De jager op de foto is onmiskenbaar Indisch; hij lijkt zelfs een beetje op Du Perron. Maar wat mij dan nog dwarszit is het geweer. Voor zover ik weet werd voor de jacht op groot wild nooit een dubbelloopsgeweer gebruikt. Grove hagel gold als ongeschikt en een zichzelf respecterende jager onwaardig: er werd geschoten met de beroemde Männlicher 9,5, met een Mauser 10,75 of een Winchester 401. Er bestond een uitgebreide jagerscode over met wat voor soort kogel je moest schieten en waarop, d.w.z. op welk deel van de anatomie; zo had je het `bladschot', achter het schouderblad, en het schot in het oog - zoiets kan ik al bijna niet opschrijven.

De 9,5 was ook het lievelingsgeweer van Lex Denninghoff Stelling, de schrijver van Langs tijgerpaden, een boek dat ik, hoe weinig ik ook opheb met jagen, niet anders dan fascinerend kan noemen, en opmerkelijk goed geschreven. Het verscheen in 1966 bij Tong Tong, met een voorwoord van Tjalie Robinson. Ook Denninghoff Stelling moet een Indische jongen zijn geweest; zijn kennis van de planten en dieren van Sumatra is indrukwekkend, herinnerend aan de al vaker beschreven beroepsjager Si Boelé, met wie ik bevriend was in het kamp. Si Boelé had er dan ook nog allerlei verhalen over het bovennatuurlijke bij; soms denk ik dat dat de dimensie is die het verankert in het geheugen.

Ook de Indische buffel bewoont een doolhof van mythen en legenden; in zijn wilde gedaante, als banteng, vertegenwoordigt hij de heroische ziel van Indonesië, en in de tamme versie, de karbouw, is hij kameraad, beschermer en offerdier. Al in de beschrijvingen van Jacob Haafner en Johannes Olivier uit eind 18de en begin 19de eeuw komen deze eigenschappen naar voren: `De buffel is een goedaardig en voor zijnen meester zelfs een getrouw dier; zijn moed en kracht gaan die van vele andere viervoetige dieren te boven. Wanneer hij zich tegenover zijnen natuurlijken vijand, den verraderlijken tijger, bevindt, verandert zijn goedig voorkomen eensklaps in de hevigste woede. Hij is meestal overwinnaar, en velt zelfs den grooten Bengaalsche koningstijger ter neder.'

Of dat laatste juist is weet ik niet. Denninghoff Stelling beschrijft hoe tijgers met gemak een karbouw doden en met het grote lichaam aan de haal gaan, ja zelfs ermee over zes voet hoge omheiningen springen. Maar in de mythische gevechten tussen buffels en tijgers geldt de buffel als overwinnaar. In het verleden werden tussen verschillende diersoorten gevechten georganiseerd, niet alleen om de opwinding van het spektakel, maar ook uit motieven van magie, om te delen in de kracht van de overwinnaar - en om weddenschappen op af te sluiten.

Zulke gevechten tussen dieren, waaronder ook hanen en zelfs krekels, werden saboeng genoemd. De meest hartverscheurende waren de Rampok Matjan, de tijgergevechten aan de hoven van Djokja en Solo. Stieregevechten zoals in Spanje bestonden ook, o.a. in Atjeh en op Madoera, letterlijk gevechten van twee stieren tegen elkaar, liefst door het opwekken van minnenijd met behulp van een jonge koe; deze gevechten waren meestal niet dodelijk: de stier die wegliep had verloren. En dan waren er dus de gevechten tussen tijger en buffel, tegen elkaar opgehitst en tot strijd gedwongen, waarbij de buffel gewoonlijk overwinnaar heette te zijn.

Grote roofdieren met elkaar laten vechten was tot voor kort ook in de westerse cultuur niet onbekend. Nog maar kortgeleden was dit ook de attractie van bepaalde Amerikaanse films, van het type Tarzan en Bring Them Back Alive van Frank Buck. Maar zoals Rob Nieuwenhuys destijds voor de Rampok Matjan heeft betoogd moeten we ook hier eerbied hebben voor het magische en mythische aspect.

De keer dat ik dat zelf het hevigst heb ondergaan was bij de bevrijding, in 1945, toen een karbouw ons uitgehongerde kamp werd binnengebracht. Op een foto in mijn boek over het Oost-Indisch kampsyndroom is te zien hoe dat ging. Mijn naamgenoot Rudy Leffelaar, het jongere broertje van Henk, is op de rug van het dier gaan zitten. Ik was er bij, ik herinner het me, en ook hoe die karbouw daarna de keel werd afgesneden. Ach het offerdier. Nu, hoewel het al meer dan 50 jaar is geleden, denk ik nog aan die karbouw en ik stort tranen over hem.