Gehard tegen alle pijn en verdriet

In 1986 verscheen de Nederlandse vertaling van de debuutroman Het dikke schrift van de Hongaarse schrijfster Agota Kristof. Het boek maakte een diepe indruk, niet het minst door de sobere, kale taal waarin het was geschreven. Kristof kreeg onmiddellijk een plaats toebedeeld op de eretribune van gevestigde Oost-Europese schrijvers als de Albanees Ismail Kadare en de Hongaar György Kónrad. Haar werk wordt inmiddels in twintig landen uitgegeven.

Opmerkelijk aan Kristof is dat ze in het Frans schrijft, terwijl haar boeken juist zo uitgesproken Oost-Europees zijn en zelfs in de verste verte niets met Franse literatuur te maken hebben. Een verklaring kan zijn dat Kristof weliswaar in 1935 in Hongarije werd geboren, maar kort na het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956 met man en kind naar het Westen vluchtte om zich in het Franstalige deel van Zwitserland te vestigen. Frans is sindsdien zowel haar eerste taal als het gereedschap waarmee ze in haar eerste drie boeken haar ervaringen onder de Duitse en Russische bezetting van haar geboorteland beschrijft.

In Het dikke schrift vertellen twee jongetjes, een identieke tweeling, over de gruwelen die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. Ze zijn op hun negende jaar door hun moeder bij hun grootmoeder op het platteland ondergebracht, omdat daar meer eten was. Een tirannieke boerenvrouw, die de beide kinderen aanvankelijk niet ziet staan en hen vol minachting `tevengebroed' noemt. Pas nadat de jongetjes hebben besloten zich net zo hard op te stellen als zij, ontstaat er iets van respect tussen beide partijen. Maar het is een respect, waarin iedere vorm van menselijkheid ontbreekt.

Beklemmende spanning

De jongetjes houden een dagboek bij, `het dikke schrift', waarin ze alleen dat noteren wat `waar' is. Voor subjectieve mededelingen is geen plaats. In gortdroge zinnen, die van iedere emotie zijn gespeend, beschrijven ze de verschrikkingen van de oorlog als een feitenrelaas: honger, geweld, verkrachting, moord, deportatie. Het is een bijna klinisch verslag, dat zijn kracht behalve aan de kale zinnen ook ontleent aan het ontbreken van ieder moreel oordeel. Op die manier ontstaat een beklemmende spanning, die het hele boek wordt volgehouden.

Kristof legt haarfijn uit hoe de jongetjes in hun gruwelijke wereld hun eigen logica ontwikkelen. Ze harden zich tegen iedere pijn van buitenaf door hun eigen innerlijke wereld te scheppen. Als het moet, deinzen ze er niet voor terug om te stelen, te chanteren of te moorden. Toch maakt de tweeling wel degelijk onderscheid tussen goed en kwaad, al wordt ieder mens op zichzelf beoordeeld. Zo koesteren de jongetjes een hechte vriendschap voor de Duitse ordonnans die bij hun grootmoeder is ingekwartierd, en wordt het mooie dienstmeisje van de pastoor – op wie ze verliefd zijn – op een gruwelijke manier door hen gestraft, omdat zij een weggevoerde jood in de maling heeft genomen.

De kracht van Het dikke schrift schuilt ook in het feit dat niemand een naam heeft. Duitsers en Russen komen er niet in voor. In plaats daarvan gaat het om Bevrijders, Buitenlandse Militairen, de Kleine Stad, de pastoor, de schoenmaker.

Aan het slot van de roman vindt er een verontrustende ontknoping plaats als een van beide jongens vanuit het inmiddels bevrijde land naar `het andere land' vlucht. Het stelde de critici indertijd voor een raadsel, omdat de onlosmakelijke verbondenheid van de tweeling voortdurend zo benadrukt was en daar nu ineens een eind aan kwam.

In Kristofs twee volgende romans Het bewijs (1988) en De derde leugen (1991) wordt dit raadsel alleen nog maar groter. In Het bewijs krijgen de twee broers een naam; de gevluchte blijkt Claus te heten, de achtergeblevene Lucas. De laatste leidt een kluizenaarsleven in een land waar de communisten inmiddels aan de macht zijn en net zo tekeer gaan als eerder de nazi's. Lucas leidt een leven als een zombie. Wel neemt hij een vrouw in huis, die een kind heeft van haar vader. Dat kind – de mankepoot Matthias die denkt dat niemand van hem houdt – speelt een sleutelrol in de rest van het verhaal.

Lucas ontfermt zich over hen beiden alsof het zijn eigen gezin is, al houdt hij alleen van het kind, omdat het volgens hem net zo getekend is door het leven als hij. Zijn bestaan verandert als hij de veel oudere bibliothecaresse Clara leert kennen, wier man door de communisten is vermoord. Clara doet een ongekende hartstocht in hem ontwaken, maar die blijkt op niet meer dan een Seelenverwandtschaft te berusten. Want ook zij leeft in een droomwereld en rouwt om haar door de communisten vermoorde man.

De nu volgende ontwikkelingen zijn gruwelijk. Matthias pleegt zelfmoord, Clara vertrekt in 1956 naar Boedapest om de dood van haar man te wreken en belandt in een strafkamp. Het is in kort bestek de geschiedenis van heel Oost-Europa onder het communisme: de wereld is grauw, niemand is te vertrouwen, iedereen liegt om zijn eigen hachje te redden. Het is een wereld van eenzaamheid. Kristof beschrijft die dingen in hun naaktheid zo indringend, dat ze je als het ware in je gezicht slaan en een litteken in je ziel achterlaten.

Als Claus vijftien jaar na zijn vlucht terugkeert naar de Kleine Stad, is niemand nog van zijn bestaan op de hoogte en blijkt Lucas al lange tijd verdwenen. Iedereen ziet Claus nu voor Lucas aan. Maar als Claus vervolgens Clara ontmoet, gebeurt er iets dat het hele boek op zijn kop zet. `Ik ben het, Clara', zegt hij. En omdat je weet dat Claus Clara nooit heeft gekend en zij de minnares van Lucas is geweest, kun je niet anders dan concluderen dat Claus in werkelijkheid Lucas is. En alsof het nog niet genoeg is, geeft Kristof je op de laatste bladzijden de genadeslag door het vermoeden te wekken dat Claus en Lucas een en dezelfde persoon zijn en Claus nooit heeft bestaan.

Leugen

Aan het begin van het derde deel van de trilogie, De derde leugen (1991), ben je daar nog altijd van overtuigd. Vooral als Lucas min of meer aangeeft dat de eerste twee romans – de dikke schriften – leugens waren. Hij heeft ze verzonnen, omdat de waarheid te pijnlijk voor hem is. `Dus maak ik alles mooier en beschrijf ik de dingen niet zoals ze gebeurd zijn, maar zoals ik had gewild dat ze gebeurd waren.'

Lucas vertelt nu zijn ware levensverhaal. Tussen zijn vierde en negende jaar blijkt hij in een revalidatieziekenhuis te hebben doorgebracht, omdat hij – net als de Matthias in Het bewijs – verlamd was. Van de periode voor zijn komst in het ziekenhuis kan hij zich niets herinneren, behalve dat hij misschien een broer heeft gehad. Stukje bij beetje onthult Kristof wat er werkelijk is gebeurd. Ze doet dat op zo'n briljante wijze, dat je voortdurend op het verkeerde been wordt gezet. Zo kom je er pas in de laatste bladzijden van het boek achter of Claus meer dan alleen maar een droom van Lucas is geweest.

Aan het slot van Het bewijs vertelt `Claus' aan een vriend over zijn verblijf in het Westen: `Het is een samenleving waar alles door het geld bepaald wordt. Er is geen plaats voor de vragen over het leven.' Met haar trilogie, die uitgeverij Van Gennep in een prachtband opnieuw onder de aandacht van de lezer brengt, probeert Agota Kristof die vragen wel degelijk te beantwoorden. Het resultaat is beangstigend en beklemmend en heeft alles te maken met het menselijk onvermogen om lief te hebben.

Agota Kristof: Het dikke schrift; Het bewijs; De derde leugen. Van Gennep, 462 blz. ƒ59,90 (geb.)