Explosie bij O C en W

Even uitbundig als de economie tot voor kort groeide, boomde vorig jaar de sector van de kunstsubsidiëring. Voor een periode van vier jaar was er in de Cultuurnota van staatssecretaris Van der Ploeg per jaar 1.3 miljard gulden te verdelen. Dat lokte 754 aanvragen uit, een record. Van de reeds bestaande meerjarige subsidies werden 38 beëindigd en 21 gekort. Daartegenover stond dat 168 nieuwe kunstinstellingen een subsidie kregen toegezegd.

Over al die subsidieaanvragen bracht de Raad voor Cultuur advies uit aan het ministerie van O C en W. In de vorige ronde waren daarbij fouten gemaakt, die met succes voor de rechter werden aangevochten. Ook nu zijn er, ondanks verbeteringen in de werkwijze, weer tal van bezwaarschriften.

In één geval, dat van de stichting Cococon, heeft de Commissie voor de bezwaarschriften van het ministerie, de klager gelijk gegeven. De Raad voor Cultuur en het ministerie van O C en W werden berispt wegens een onvolkomenheid in de procedure. Negatieve informatie moet voortaan schriftelijk worden vastgelegd en aan de betrokken kunstinstelling worden voorgelegd. Het algemene rechtsbeginsel van `hoor en wederhoor' over feiten en meningen dient ook te gelden bij de kunstsubsidiëring.

De kunstsector sluit zich daarmee na `Enschede' en `Volendam' aan bij het algemene maatschappelijke en bestuurlijke besef, dat de overheid zorgvuldiger moet werken en allerlei regels en belangen nauwkeuriger in acht moet nemen. In zijn soort was het immers ook een kunstrampje dat de subsidiëring van Djazzex ten onrechte werd gestopt. Toen de rechter Djazzex uiteindelijk gelijk gaf en een half miljoen schadevergoeding toekende, was het gezelschap al geliquideerd.

Zo vanzelfsprekend als het is, zo verreikend zijn de gevolgen van een verbeterde subsidieprocedure. De toch al zo overbelaste bureaucratie van de Raad voor Cultuur en het ministerie zal nog verder exploderen. Alle `negatieve informatie, feiten en meningen' en de ongetwijfeld uitvoerige ontkennende reacties daarop, zullen de dossiers driedubbeldik maken. En ook daarover zal weer veel gediscussieerd en geklaagd worden. Kan al dat geld om die dossiers samen te stellen, te lezen en daarover te vergaderen, niet beter worden besteed aan kunstenaars in plaats van aan ambtenaren?

Even voorspelbaar zullen de administratieve problemen zich in de toekomst verveelvoudigen. Immers, een relatief groot aantal van de 168 nieuwe kunstinstellingen met meerjarige subsidiëring zal over drieëneenhalf jaar bij een volgende subsidieronde onvermijdelijk van de Raad voor Cultuur een negatieve beoordeling krijgen, ook na vele schriftelijke inspraakronden. Staatssecretaris Van der Ploeg, die veel `doorstroming' wilde, had de meeste kunstinstellingen voorlopig beter kunnen verwijzen naar de fondsen voor incidentele subsidies, om zich eerst in de praktijk te bewijzen. Nu zal hun snel verworven status moeizaam zorgvuldig zijn te slopen. Dat vergt vooral rompslomp. Maar politici spreken dan graag over `de kunst van het besturen'.