Een parel op de handpalm

In de verste uithoeken van China leerden ongeletterde plattelandsvrouwen zijn gedichten uit het hoofd. Bijna 1.200 jaar later is Bai Juyi op scholen nog steeds verplichte lesstof. Hij dichtte over het literaire leven, het landschap, het liefdesverdriet van de keizer. Maar aangrijpend blijven vooral de vrije verzen over zijn vrouw en jong gestorven kinderen.

Bai Juyi is een dichter die tot de verbeelding spreekt. Vrijwel zijn volledige oeuvre is gewijd aan één thema: zichzelf. Met veel aandacht voor details en een gezonde dosis zelfspot, maar ook met aanzienlijke ijdelheid en niet zonder enige verfraaiing leidt de dichter ons door zijn leven en onthult hij zijn emoties, van praktische zorgen om zijn inkomen en loopbaan tot groot en pijnlijk verdriet om de dood van zijn kinderen.

Hij jubelt en treurt, is soms onuitstaanbaar en betweterig, soms grappig of sentimenteel, vaak stomdronken. Zelf schijnt hij ooit gezegd te hebben dat wie hem wilde leerde kennen alleen maar zijn verzameld werk hoefde te lezen. Zo'n uitspraak dient natuurlijk altijd met een korreltje zout genomen te worden, maar zelfs wanneer de `ik' in de gedichten niet helemaal overeenstemt met de `echte' Bai Juyi, dan nog is hij erin geslaagd om een herkenbaar en meeslepend personage te creëren, dat met gemak de lezer uit een andere tijd en cultuur weet aan te spreken.

Want Bai Juyi is geen moderne dichter. Hij leefde in China van 772 tot 846, tijdens de Tang-dynastie, de bloeiperiode bij uitstek van de klassieke Chinese poëzie. In het Nederlands was tot nu toe nog geen uitgebreide keuze uit zijn werk beschikbaar. De recent verschenen, uitgebreide bloemlezing, samengesteld en vertaald door W.L. Idema, heeft daarin verandering gebracht en ervoor gezorgd dat deze literaire gigant ook in ons taalgebied de aandacht kan krijgen die hij verdient.

Bai Juyi bereikte al op jonge leeftijd datgene waarvan de meeste traditionele Chinese literaten slechts hun leven lang konden dromen: hij doorliep op briljante wijze de ambtenarenexamens en werd op zijn 35ste benoemd in een functie aan het keizerlijk hof. Geheel in overeenstemming met het ideaalbeeld van de confuciaanse leer diende hij de keizer naar eer en geweten, niet schromend het beleid te kritiseren of de keizer persoonlijk te vermanen indien hij daartoe aanleiding zag.

Vanzelfsprekend kon dit niet goed blijven gaan en in het jaar 815 werd hij uiteindelijk gedegradeerd en naar de provincie gestuurd. Hij sleet zo een aantal jaren in – overigens relatief comfortabele – `ballingschap', totdat de machtsverhoudingen aan het hof zich wijzigden en hij in staat werd gesteld een comeback te maken. In 820 was hij weer in de hoofdstad, maar geen schim meer van zijn vroegere, idealistische zelf. Hij waaide met alle politieke winden mee, sprak zich nergens over uit, zorgde vooral goed voor zichzelf, en verzocht uiteindelijk weer om overplaatsing.

De laatste twintig jaar van zijn leven vervulde hij een reeks ambtelijke functies in verschillende steden, die qua rang steeds hoger en beter betaald waren, maar qua inhoud steeds minder voorstelden. Hij verdiepte zich steeds meer in het boeddhisme en keek ook steeds dieper in het (wijn)glas. Al met al bewandelde hij een veelbewogen levenspad, met een aantal onverwachte scherpe wendingen, en werd, al drinkend, veel ouder dan de meeste mensen in de negende eeuw.

Zijn hele leven lang schreef hij gedichten, en met waanzinnig veel succes, zeker voor een schrijver uit de tijd van voor de algemene verspreiding van de boekdrukkunst. Talrijk zijn de anecdotes over zijn beroemdheid onder tijdgenoten: in de verste uithoeken van het rijk zouden zelfs ongeletterde plattelandsvrouwen zijn gedichten uit het hoofd hebben kunnen opzeggen, terwijl courtisanes hun prijs verhoogden wanneer ze zijn ballades konden zingen. Vrienden en bekenden lieten het hem regelmatig weten wanneer ze zijn verzen ergens op muren gekrabbeld tegenkwamen, en ook zelf liet hij het niet na om dergelijke ervaringen te vermelden.

Zijn beroemdste gedicht, dat ook nu nog verplichte lesstof is op Chinese scholen, is het `Lied van het eeuwig verdriet'. Hij schreef het toen hij pas 34 jaar was. Het is een lange, tamelijk sentimentele behandeling van het beroemde verhaal van de liefde van Keizer Xuanzong voor zijn beeldschone concubine Yang Guifei, een verhaal dat destijds nog vers in het geheugen lag omdat het pas een halve eeuw eerder had plaatsgevonden. De keizer ging dusdanig op in zijn affaire, en gaf zijn concubine en haar familie zoveel macht, dat de dynastie er bijna aan ten onder ging, zo wil het verhaal, en eindelijk werd Xuanzong door zijn militaire leiders gedwongen om Guifei te laten executeren.

Bai Juyi's poëtische versie van de sage besteedt relatief weinig aandacht aan de politieke achtergronden, noch geeft hij zich over aan uitgebreide kritiek op Xuanzongs lichtzinnigheid. In plaats daarvan richt hij zich volledig op het verdriet van de keizer na de dood van zijn concubine en zijn succesvolle poging om, via een medium, contact met haar te zoeken in het `feeënrijk' waarheen zij na haar dood getransporteerd was en waar zij trouw op hem wachtte. De mengeling van celebrity en Groot Verdriet deed het kennelijk meer dan een millennium geleden ook al goed bij het publiek, maar voor de huidige lezer is de latere, meer persoonlijke poëzie van Bai Juyi aanmerkelijk interessanter.

Het is fascinerend hoe goed men door het lezen van deze bundel de dichter leert kennen. Dit is deels de verdienste van Idema, die voor een chronologische ordening heeft gekozen en ieder hoofdstuk vooraf laat gaan door een biografische inleiding. Maar het is ook de verdienste van Bai zelf, die maar niet kan nalaten om over zichzelf te schrijven. In de traditionele Chinese poëzieopvatting dienen gedichten weliswaar de persoonlijkheid van de auteur zuiver en direct weer te geven, maar bij Bai Juyi lijkt juist de angst te bestaan dat de lezer de verkeerde conclusies over hem zal trekken, zodat hij constant zeer nadrukkelijk zichzelf probeert te karakteriseren en uiteindelijk in zijn werk als het ware een op zichzelf gebaseerd personage creëert.

Hij gaat daarbij zelfs zo ver dat hij, in een beroemde brief aan zijn boezemvriend Yuan Zhen, die in de toekomst het voorwoord voor zijn verzameld werk moet schrijven, deze min of meer de woorden in de mond legt waarmee hij zichzelf gekenschetst wenst te zien. Doordat Idema dergelijke brieven en ook een aantal door Bai uit hoofde van zijn ambtelijke functies geschreven prozateksten in de bloemlezing heeft opgenomen, krijgt de lezer een rijker geschakeerd beeld van de schrijver dan dat wat alleen uit de poëzie naar voren komt.

Maar zelfs voor wie alleen de gedichten leest, is het personage Bai Juyi niet ééndimensionaal. Uitgebreide, wijdlopige beschrijvingen van het officiële literatenleven en bloemrijke landschapsgedichten worden door Bai afgewisseld met uiterst intieme werken in het doodsimpele taalgebruik waarvoor hij ook beroemd is en dat hem nog steeds zo leesbaar maakt. Om van te genieten is de reeks gedichten waarin hij zijn eigen ouderdom betreurt, iets waarmee hij op zijn dertigste al begint en vervolgens decennia lang doorgaat. Regelmatig komt hij met kwatrijnen op de proppen over hoe grijs zijn haar wordt, of dat het begint uit te vallen. Logica neemt hij daarbij niet in acht: jaren nadat hij geklaagd heeft over vroegtijdige kaalheid blijkt hij toch weer haar te hebben, en te klagen dat het vroegtijdig grijs wordt. Pas tegen het einde van zijn leven lijkt de hypochondrie te zijn omgeslagen in berusting en zelfspot, zoals in het prachtige `Op mijzelf' uit 838:

Op mijzelf

Een witte baard, een blosje op de wangen

Wanneer ik aangeschoten ben door wijn:

Een eeuw is in een handomdraai voorbij

En in een ogenblik blijkt alles ijdel.

Bedlegerig: een uitgeteerde lijder,

Verslaafd aan poëzie: een dwaze grijsaard.

Liefhebbers, blijf ik horen, laten mij

Uitschilderen op kamerschermen.

Nog aansprekender zijn de gedichten die Bai gedurende zijn leven wijdt aan zijn vrouw en dochters, iets wat in die tijd zeker niet gebruikelijk was. In 811 schreef hij het volgende beroemde vers na de dood van zijn dochter Goudklokje (een werk dat, via een vroege Engelse vertaling, ook door Slauerhoff ooit in het Nederlands werd weergegeven):

Bij de dood van Goudklokje tijdens mijn ziekte

Wie had gedacht dat tijdens eigen ziekte

Ik rouwen moeten zou om jouw verscheiden?

Verbijsterd stond ik van mijn ziekbed op

Om bij het schijnsel van een lamp jou te bewenen.

Een dochter brengt alleen beslommeringen

Maar zonder zoon hecht men zich toch aan haar.

Tien dagen was ze ziek geweest, niet langer –

Drie jaren mochten we al voor haar zorgen.

De tranen springen steeds weer in mijn ogen,

Mijn droefheid wordt gewekt door ieder ding;

De kinderkleertjes op de kledingrekken,

De laatste medicijnen bij haar kussen.

We droegen haar de stille dorpsstraat uit,

Zij werd begraven in haar kleine grafje.

Een mijl rust zij van hier – maar zeg dat niet:

Dit afscheid was voor alle eeuwigheid.

Op hoge leeftijd kreeg Bai Juyi eindelijk een zoon, genaam Acui. Vol trots besloot hij een naar zijn stamhouder genoemd gedicht uit 829 met de volgende regels:

Mijn beste kunnen laat ik na aan jou,

Cultuur en studie eindigt niet met mij!

We weten niet hoe oud je worden mag:

Geen zorgen nog hoe slim je straks zult wezen.

De geur van melk ben je sinds pas ontgroeid,

't Geluid van huilen wordt alhaast gebrabbel.

Wanneer zul jij je ouders kunnen voeden

En zorgen voor die kraai met witte kop?

Negen bladzijden verder, vlak onder een jubelgedicht naar aanleiding van Bai's benoeming tot gouverneur, komt de volgende korte tekst als een schok:

Ter bewening van mijn zoon Acui

De ene parel op mijn handpalm was een zoon van drie,

De duizend haren wit als sneeuw: je vader was al zestig.

Wie had gedacht dat jij als eerste 't leven zou verlaten?

Mijn angst was steeds dat ik je niet volwassen worden zag.

Mijn droeve hart is nu gekliefd maar niet door enig zwaard,

Mijn ogen zijn verblind door tranen, zeker niet door stof,

Ik draag je in mijn armen. Tevergeefs: de Hemel zwijgt

En net als vroeger ben ik weer een kinderloze oom.

De constante aanwezigheid van aangrijpend werk als het bovenstaande heeft er voor gezorgd dat ik deze bloemlezing niet selectief maar van kaft tot kaft gelezen heb, meer als een roman in verzen dan als een bundel verzameld werk. De vertalingen van Idema zijn in diens vertrouwde stijl, in blank vers met evenveel voeten in de Nederlandse regel als er karakters in de Chinese regel staan, en met gebruik van een rijke, deels oudnederlandse woordenschat, die indien nodig de retorische hoogstandjes van het origineel onderstreept.

Gelukkig is Bai Juyi, zoals gezegd, een dichter die dikwijls de clichés en de hoogdravendheid schuwt. Bovendien laat hij, ongehoord voor zijn tijd, af en toe de vaste regellengte varen als hij daar zin in heeft, en schrijft dan in een soort vrij vers dat ook Idema meer vrijheden bij het vertalen verleent. Het resultaat is een uniek en meeslepend boek van en over een unieke en meeslepende schrijver. Voor één keer ben ik het eens met de wervende flaptekst: `Bai Juyi is een van de grootste dichters van de wereldliteratuur.'

Bai Juyi: Gedichten en proza. Gekozen, vertaald en toegelicht door W.L. Idema. Atlas, 551 blz. ƒ79,90